Art. 55 Verordening (EG) nr. 1083/2006, Inkomstengenererende projecten

Verordening (EG) nr. 1083/2006

1. Voor de toepassing van deze verordening worden onder inkomstengenererend project concrete acties verstaan die betrekking hebben op een investering in infrastructuur voor het gebruik waarvan de gebruikers een vergoeding betalen, of concrete acties die betrekking hebben op de verkoop of de verhuur van land of gebouwen of de levering van diensten tegen betaling.

2. De subsidiabele uitgaven voor inkomstengenererende projecten mogen niet hoger zijn dan de investeringskosten na aftrek van de actuele waarde van de netto-inkomsten die de investering tijdens een bepaalde referentieperiode heeft opgeleverd voor:

a) investeringen in infrastructuur, of

b) andere projecten waarbij de inkomsten van tevoren objectief kunnen worden geraamd.

Indien niet alle investeringskosten voor medefinanciering in aanmerking komen, worden de netto-inkomsten verhoudingsgewijs toegerekend aan de wel en niet subsidiabele delen van de investeringskosten.

Bij de berekening houdt de managementautoriteit rekening met de referentieperiode die past bij de betrokken investeringscategorie, de categorie van het project, de normaal verwachte rentabiliteit van de betrokken investeringscategorie en met de toepassing van het beginsel van de vervuiler betaalt, en eventueel van billijkheidsoverwegingen met betrekking tot de relatieve welvaart van de betrokken lidstaat.

3. Wanneer de inkomsten niet tevoren objectief kunnen worden geraamd, worden de binnen vijf jaar na voltooiing van een actie gegenereerde inkomsten afgetrokken van de aan de Commissie gedeclareerde uitgaven. Deze aftrek wordt uiterlijk bij de gedeeltelijke of bij de definitieve afsluiting van het operationele programma door de certificeringsautoriteit verricht. De definitieve betalingsaanvraag wordt dienovereenkomstig aangepast.

4. Indien uiterlijk drie jaar na de afsluiting van het operationele programma wordt vastgesteld dat een concrete actie inkomsten heeft gegenereerd die niet in aanmerking zijn genomen uit hoofde van de leden 2 en 3, worden die inkomsten naar rato van de bijdrage uit de fondsen teruggestort in de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen.

5. Onverminderd hun verplichtingen uit hoofde van artikel 70, lid 1, kunnen de lidstaten procedures vaststellen waarmee toezicht wordt gehouden op inkomsten die zijn gegenereerd door acties met een totale kostprijs van minder dan 200 000 EUR, en die in verhouding staan tot de betrokken bedragen.

6. Dit artikel is niet van toepassing op projecten waarvoor de voorschriften inzake staatssteun in de zin van artikel 87 van het Verdrag gelden.