Art. 27 Verordening (EG) nr. 1083/2006, Inhoud

Verordening (EG) nr. 1083/2006

1. De lidstaat dient een nationaal strategisch referentiekader in dat garandeert dat de bijstand uit de fondsen coherent is met de communautaire strategische richtsnoeren inzake cohesie, en waarin het verband wordt aangegeven tussen de communautaire prioriteiten, enerzijds, en het nationale hervormingsprogramma, anderzijds.

2. Elk nationaal strategisch referentiekader vormt een referentie-instrument voor de voorbereiding van de programmering van de bijstand uit de fondsen.

3. Het nationale strategische referentiekader is van toepassing op de convergentiedoelstelling en de doelstelling „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid”. Indien een lidstaat daartoe besluit, kan het ook worden toegepast op de doelstelling „Europese territoriale samenwerking”, onverminderd de keuzes die de betrokken lidstaten in de toekomst maken.

4. Het nationale strategische referentiekader bevat de volgende elementen:

a) een analyse van de verschillen, de zwakke punten en het potentieel op het gebied van ontwikkeling, met inachtneming van de trends in de Europese economie en de wereldeconomie;

b) de op basis van deze analyse gekozen strategie, met inbegrip van de thematische en territoriale prioriteiten. In voorkomend geval omvatten deze prioriteiten maatregelen met betrekking tot duurzame stedelijke ontwikkeling, diversifiëring van de plattelandseconomieën en van de gebieden die van de visserij leven;

c) de lijst van de operationele programma's voor de doelstellingen „Convergentie” en „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid”;

d) een beschrijving van de manier waarop de uitgaven met het oog op het bereiken van de doelstellingen „Convergentie” en „Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid” bijdragen tot de prioriteiten van de EU inzake bevordering van het concurrentievermogen en schepping van werkgelegenheid, inclusief het bereiken van de doelstellingen van de geïntegreerde richtsnoeren voor groei en werkgelegenheid (2005-2008), zoals bepaald in artikel 9, lid 3;

e) de indicatieve jaarlijkse toewijzing uit elk fonds per programma;

f) uitsluitend voor de regio's van de convergentiedoelstelling:

i) de geplande activiteiten voor de versterking van de bestuursefficiëntie van de lidstaat;

ii) het bedrag van de totale jaarlijkse kredieten die worden verstrekt uit het ELFPO en het EVF;

iii) de gegevens die nodig zijn voor de voorafgaande verifiëring van de inachtneming van het in artikel 15 bedoelde additionaliteitsbeginsel;

g) voor de lidstaten die voor financiering uit het Cohesiefonds in aanmerking komen uit hoofde van artikel 5, lid 2, en artikel 8, lid 3: informatie over de mechanismen waarmee de coördinatie tussen de operationele programma's onderling en tussen deze programma's en het ELFPO, het EVF en, in voorkomend geval, de bijdragen van de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten wordt gegarandeerd.

5. Daarnaast kan het nationale strategische referentiekader, waar passend, de volgende elementen bevatten:

a) de procedure voor de coördinatie tussen het communautair cohesiebeleid en de desbetreffende nationale, sectorale en regionale beleidsgebieden van de betrokken lidstaat;

b) voor andere lidstaten dan die bedoeld in lid 4, onder g): informatie over de mechanismen waarmee de coördinatie tussen de operationele programma's zelf en tussen die en het ELFPO, het EVF en de bijdragen van de EIB en de andere bestaande financieringsinstrumenten wordt gegarandeerd.

6. Bij de in het nationale strategische referentiekader opgenomen gegevens wordt rekening gehouden met de specifieke institutionele regelingen van de lidstaat.