Art. 11, Geldigheid van gebruikte invoervergunningen en van de in de artikelen 47, 48, 49, 60 en 63 bedoelde certificaten

1. De kopieën voor de houder van gebruikte invoervergunningen verliezen hun geldigheid in de volgende gevallen:

a) indien daarop vermelde levende specimens zijn gestorven;

b) indien daarop vermelde levende dieren zijn ontsnapt of zijn vrijgelaten;

c) indien daarop vermelde specimens zijn vernietigd;

d) indien enig gegeven dat is vermeld in de vakken 3, 6 of 8 niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

2. De in de artikelen 47, 48, 49 en 63 bedoelde certificaten verliezen hun geldigheid in de volgende gevallen:

a) indien daarop vermelde levende specimens zijn gestorven;

b) indien daarop vermelde levende dieren zijn ontsnapt of zijn vrijgelaten;

c) indien daarop vermelde specimens zijn vernietigd;

d) indien enig gegeven dat is vermeld in vak 2 of vak 4 van een certificaat niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

3. Conform de artikelen 48 en 63 afgegeven certificaten zijn transactiespecifiek tenzij de specimens waarop die certificaten betrekking hebben, van een uniek en permanent merkteken zijn voorzien.

De administratieve instantie van de lidstaat waar het specimen zich bevindt, mag tevens, in overleg met de betrokken wetenschappelijke autoriteit, besluiten om een transactiespecifiek certificaat af te geven indien zij van oordeel is dat er andere factoren in samenhang met de instandhouding van de soort pleiten tegen de afgifte van een specimenspecifiek certificaat.

4. De in artikel 48, lid 1, onder d), en in artikel 60 bedoelde certificaten verliezen hun geldigheid indien de in vak 1 vermelde informatie niet langer met de werkelijkheid overeenstemt.

Dergelijke documenten dienen zonder verwijl te worden teruggezonden aan de administratieve instantie van afgifte, die in voorkomend geval overeenkomstig artikel 51 een aan de nieuwe situatie aangepast certificaat kan afgeven.

Uitspraken die dit artikel aanhalen