Art. 3 Verordening (EG) nr. 842/2006, Insluiting

Verordening (EG) nr. 842/2006

1. De exploitanten van de volgende stationaire toepassingen: koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur met inbegrip van circuits, alsmede brandbeveiligingssystemen die in bijlage I vermelde gefluoreerde broeikasgassen bevatten, zorgen ervoor, door gebruik te maken van alle maatregelen die technisch uitvoerbaar zijn en geen buitensporige kosten meebrengen, dat

a) lekkage van deze gassen voorkomen wordt en

b) vastgestelde lekkages zo spoedig mogelijk worden hersteld.

2. De exploitanten van de in lid 1 bedoelde toepassingen zorgen ervoor dat deze door gecertificeerd personeel dat aan de in artikel 5 genoemde eisen voldoet, op lekkage gecontroleerd worden aan de hand van het volgende schema:

a) toepassingen die ten minste 3 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten, worden ten minste één keer per jaar op lekkage gecontroleerd; deze verplichting geldt niet voor apparatuur met hermetisch afgesloten systemen die als dusdanig zijn gemerkt en minder dan 6 kg gefluoreerde broeikasgassen bevatten;

b) toepassingen die ten minste 30 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten, worden ten minste om de zes maanden op lekkage gecontroleerd;

c) toepassingen die ten minste 300 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten, worden ten minste om de drie maanden op lekkage gecontroleerd.

De toepassingen moeten, binnen een maand nadat een lek is hersteld, op lekkage gecontroleerd worden om na te gaan of de reparatie effect heeft gesorteerd.

In dit lid betekent „op lekkage gecontroleerd” dat de apparatuur of het systeem wordt onderzocht op lekkage met gebruikmaking van directe of indirecte meetmethoden; hierbij worden vooral de onderdelen van de apparatuur of het systeem geïnspecteerd waar de kans op lekkage het grootst is. De directe en indirecte meetmethode voor de controle op lekkage worden nader omschreven in de in lid 7 bedoelde basisvoorschriften inzake controle op lekkage.

3. Exploitanten van in lid 1 bedoelde toepassingen die 300 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten, installeren een lekdetectiesysteem. Deze lekdetectiesystemen worden ten minste om het jaar gecontroleerd om te garanderen dat zij behoorlijk functioneren. Wanneer een dergelijk brandbeveiligingsysteem vóór 4 juli 2007 werd geïnstalleerd, wordt een lekdetectiesysteem uiterlijk op 4 juli 2010 geplaatst.

4. Wanneer een naar behoren functionerend en adequaat lekdetectiesysteem is geïnstalleerd, wordt de frequentie van de in lid 2, onder b) en c), vereiste controlemaatregelen gehalveerd.

5. Indien er voor brandbeveiligingssystemen een inspectieregeling bestaat om te voldoen aan ISO-norm 14520, wordt met die inspecties ook voldaan aan de verplichtingen van deze verordening, mits die inspecties ten minste even frequent zijn.

6. Exploitanten van de in lid 1 bedoelde toepassingen die 3 kg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten, houden een register bij met de hoeveelheid en de aard van de zich in de toepassing bevindende gefluoreerde broeikasgassen, eventueel toegevoegde hoeveelheden en de bij onderhoud, service en definitieve verwijdering teruggewonnen hoeveelheid. Zij houden ook een register bij met andere relevante informatie, waaronder de identificatie van het bedrijf of de technicus die de service of het onderhoud heeft verricht, alsmede de data en de resultaten van de uit hoofde van de leden 2, 3 en 4 verrichte controles, en andere relevante informatie ter aanduiding van de in lid 2, onder b) en c), bedoelde stationaire toepassingen. Dit register wordt op verzoek ter beschikking gesteld van de bevoegde instantie en de Commissie.

7. Uiterlijk op 4 juli 2007 stelt de Commissie volgens de in artikel 12, lid 2, bedoelde procedure voor elk van de in lid 1 van dit artikel bedoelde toepassingen de basisvoorschriften inzake controle vast.

Vorige artikelen

Volgende artikelen