Art. 2 Verordening (EG) nr. 842/2006, Definities
In deze verordening wordt verstaan onder:
1. „gefluoreerde broeikasgassen”: fluorkoolwaterstoffen (HFK's), perfluorkoolstoffen (PFK's) en zwavelhexafluoride (SF6) vermeld in de lijst van bijlage I, en preparaten die deze stoffen bevatten, met uitzondering van stoffen waarvan de controle geschiedt uit hoofde van Verordening (EG) nr. 2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 29 juni 2000 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (13);
2. „fluorkoolwaterstof”: een organische verbinding bestaande uit koolstof, waterstof en fluor, die per molecuul maximaal zes koolstofatomen bevat;
3. „perfluorkoolstof”: een organische verbinding die uitsluitend bestaat uit koolstof en fluor en die per molecuul maximaal zes koolstofatomen bevat;
4. „aardopwarmingsvermogen”: het klimaatopwarmingsvermogen van een gefluoreerd broeikasgas ten opzichte van dat van koolstofdioxide. het aardopwarmingsvermogen (GWP) wordt berekend als het opwarmingsvermogen in een periode van 100 jaar van 1 kg van een gas ten opzichte van 1 kg CO2. De GWP-cijfers van bijlage I zijn overgenomen uit het derde evaluatierapport van de intergouvernementele werkgroep inzake klimaatverandering („2001 IPCC GWP-waarden”) (14);
5. „preparaat”: voor de naleving van de in deze verordening opgenomen verplichtingen, met uitzondering van vernietiging, een mengsel van twee of meer stoffen waarvan ten minste één een gefluoreerd broeikasgas is, behalve wanneer het totale aardopwarmingsvermogen van het preparaat minder dan 150 bedraagt. Het totale aardopwarmingsvermogen (15) van de preparaten wordt overeenkomstig deel 2 van bijlage I vastgesteld;
6. „exploitant”: de natuurlijke of rechtspersoon die de feitelijke controle uitoefent over het technisch functioneren van de apparatuur en systemen die onder deze verordening vallen; een lidstaat kan in duidelijk omschreven situaties de eigenaar aanduiden als de exploitant;
7. „op de markt brengen”: het voor het EERst in de gemeenschap, al dan niet tegen betaling, leveren of beschikbaar stellen aan derden, van producten en apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevatten of waarvan de werking op zulke gassen berust, met inbegrip van invoer in het douanegebied van de gemeenschap;
8. „gebruik”: het gebruik van gefluoreerde broeikasgassen bij de productie, de navulling, de service en het onderhoud van de onder deze verordening vallende producten en apparatuur;
9. „warmtepomp”: een toestel dat of een installatie die bij lage temperatuur warmte aan de lucht, het water of de bodem onttrekt en deze warmte afgeeft;
10. „lekdetectiesysteem”: een geijkt mechanisch, elektrisch of elektronisch apparaat om lekken van gefluoreerde broeikasgassen op te sporen, en dat de exploitant waarschuwt als het deze gassen heeft vastgesteld;
11. „hermetisch afgesloten systeem”: een systeem waarin alle delen die koelvloeistof bevatten, zijn afgedicht door lassen, solderen of een soortgelijke permanente verbinding, met inbegrip van afgedichte of beschermde toegangspunten die reparatie of verwijdering op adequate wijze mogelijk maken, en dat een geteste lekkage van minder dan 3 g per jaar heeft onder een druk van minstens een vierde van de maximaal toegestane druk;
12. „houder”: een voornamelijk voor het vervoer of de opslag van gefluoreerde broeikasgassen ontworpen product;
13. „niet-navulbare houder”: een houder die ontworpen is om niet te worden nagevuld en die gebruikt wordt bij service, onderhoud of vullen van koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur, brandbeveiligingssystemen of hoogspanningsschakelaars, of bij opslag en vervoer van oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen;
14. „terugwinning”: het verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen, bijvoorbeeld uit machines, apparatuur en houders;
15. „recycling”: het hergebruik van een teruggewonnen gefluoreerd broeikasgas na een eenvoudig reinigingsproces;
16. „regeneratie”: de opwerking en veredeling van een teruggewonnen gefluoreerd broeikasgas zodat het weer aan een nader omschreven kwaliteitsnorm voldoet;
17. „vernietiging”: het proces waarbij het gefluoreerde broeikasgas in zijn geheel of grotendeels definitief wordt omgezet of ontleed in één of meer stabiele stoffen die geen gefluoreerde broeikasgassen zijn;
18. „stationaire toepassing of apparatuur”: een toepassing of apparatuur die tijdens het functioneren normaliter niet mobiel is;
19. „aërosol voor amusement of decoratie”: een aërosol dat in de handel wordt gebracht om aan het grote publiek voor amusements- of decoratiedoeleinden te worden verkocht en vermeld wordt in de bijlage van Richtlijn 94/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (16).