Art. 10 Verordening (EG) nr. 562/2006, Afstempeling van de reisdocumenten van onderdanen van derde landen
1. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen worden bij inreis en bij uitreis systematisch afgestempeld. Er wordt met name een inreis-, respectievelijk uitreisstempel aangebracht in:
a) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die voorzien zijn van een geldig visum;
b) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen aan wie aan de grens een visum wordt afgegeven door een lidstaat;
c) de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van derde landen die niet aan de visumplicht zijn onderworpen.
2. De reisdocumenten van onderdanen van derde landen die familielid zijn van een burger van de Unie op wie Richtlijn 2004/38/EG van toepassing is, maar niet de in artikel 10 van die richtlijn bedoelde verblijfskaart kunnen overleggen, worden bij inreis of bij uitreis afgestempeld.
De reisdocumenten van onderdanen van derde landen die familielid zijn van onderdanen van derde landen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij personenverkeer vallen, maar niet de in artikel 10 van Richtlijn 2004/38/EG bedoelde verblijfskaart kunnen overleggen, worden bij inreis of bij uitreis afgestempeld.
3. Er wordt geen in- of uitreisstempel aangebracht:
a) in de reisdocumenten van staatshoofden of hoogwaardigheidsbekleders wier aankomst vooraf langs diplomatieke weg officieel is aangekondigd;
b) in de „crew member licences” of „crew member certificates” van piloten respectievelijk bemanningsleden van vliegtuigen;
c) in de reisdocumenten van zeelieden die slechts gedurende het afmeren van hun schip in de binnengevaren haven van een lidstaat verblijven;
d) in de reisdocumenten van bemanningsleden en passagiers van cruiseschepen die overeenkomstig punt 3.2.3 van bijlage VI niet aan grenscontroles zijn onderworpen;
e) in de grensoverschrijdingsdocumenten van onderdanen van Andorra, Monaco en San Marino.
Op verzoek van een onderdaan van een derde land kan bij wijze van uitzondering worden afgezien van een in- of uitreisstempel, wanneer de afstempeling voor deze onderdaan tot ernstige moeilijkheden zou kunnen leiden. In deze gevallen wordt de in- of uitreis op een afzonderlijk blad geregistreerd met vermelding van de naam en het paspoortnummer. Dat blad wordt de betrokken onderdaan van een derde land ter hand gesteld.
4. De praktische regelingen voor het afstempelen zijn opgenomen in bijlage IV.
5. Onderdanen van derde landen worden voorzover mogelijk op de hoogte gebracht van de verplichting voor de grenswachters om hun reisdocument bij inreis en bij uitreis af te stempelen, ook wanneer de controles in overeenstemming met artikel 8 zijn versoepeld.
6. De Commissie brengt uiterlijk eind 2008 bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de werking van de bepalingen betreffende het afstempelen van reisdocumenten.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Rotterdam 17 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3673
- Rb. Rotterdam 17 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3672
- Rb. Rotterdam 17 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3671
- Rb. Rotterdam 17 mei 2017, ECLI:NL:RBROT:2017:3670
- Rb. Den Haag 17 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16717
- Rb. Den Haag 17 maart 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16716
- Rb. Den Haag 17 mei 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16714