Art. 9 Verordening (EG) nr. 562/2006, Gescheiden doorgangen en bewegwijzering

Verordening (EG) nr. 562/2006

1. De lidstaten voorzien met name aan de luchtgrensdoorlaatposten in gescheiden doorgangen voor de uitvoering van de controles op personen overeenkomstig artikel 7. Deze doorgangen worden van elkaar onderscheiden door middel van de bewegwijzering als bedoeld in bijlage III.

De lidstaten kunnen in gescheiden doorgangen voorzien aan hun zee- en landgrensdoorlaatposten en aan de grenzen tussen de lidstaten die artikel 20 aan hun gemeenschappelijke grenzen niet toepassen. Indien de lidstaten aan die grenzen in gescheiden doorgangen voorzien, wordt de in bijlage III vermelde bewegwijzering gebruikt.

De lidstaten zorgen ervoor dat deze doorgangen duidelijk zijn aangegeven, ook wanneer de regels inzake het gebruik van de verschillende doorgangen worden opgeschort als bedoeld in lid 4, opdat het grensoverschrijdend personenverkeer optimaal kan verlopen.

2. a) Personen die onder het Gemeenschapsrecht inzake vrij verkeer vallen, hebben het recht de doorgangen te gebruiken die zijn aangegeven met het bord bedoeld in bijlage III, deel A. Zij mogen ook de doorgangen gebruiken die zijn aangegeven met het bord bedoeld in bijlage III, deel B.

b) Alle andere personen gebruiken de doorgangen aangegeven met het bord bedoeld in bijlage III, deel B.

De onder a) en b) bedoelde aanduidingen op de borden kunnen worden gesteld in de taal of de talen die elke lidstaat geschikt acht.

3. Aan de zee- en landgrensdoorlaatposten kunnen de lidstaten het voertuigenverkeer scheiden in aparte rijstroken voor lichte of voor zware voertuigen dan wel voor autobussen, door gebruik te maken van de in bijlage III, deel C, afgebeelde borden.

De lidstaten kunnen de aanduidingen op die borden zo nodig aanpassen aan de lokale omstandigheden.

4. Wanneer de verkeersstromen aan een bepaalde grensdoorlaatpost tijdelijk verstoord zijn, kunnen de bevoegde autoriteiten de regels inzake het gebruik van de verschillende doorgangen opschorten zolang de normale situatie niet is hersteld.

5. De bestaande borden worden uiterlijk op 31 mei 2009 in overeenstemming gebracht met de bepalingen van de leden 1, 2 en 3. Indien de lidstaten reeds vóór die datum bestaande borden vervangen of nieuwe borden plaatsen, nemen zij de in deze leden vastgestelde aanduidingen in acht.