Art. 48 Richtlijn 2006/88/EG, Vaccinatie
1. De lidstaten dragen er zorg voor dat vaccinatie tegen de in bijlage IV, deel II, vermelde exotische ziekten verboden is, tenzij de vaccinatie in overeenstemming met artikel 41, 42 of 47 toegestaan is.
2. De lidstaten dragen er zorg voor dat vaccinatie tegen de in bijlage IV, deel II, vermelde niet-exotische ziekten verboden is in delen van hun grondgebied die overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 vrij verklaard zijn van de desbetreffende ziekten of waar een overeenkomstig artikel 44, lid 1, goedgekeurd bewakings- en uitroeiingsprogramma van toepassing is.
De lidstaten kunnen de vaccinatie toestaan in delen van hun grondgebied die niet vrij verklaard zijn van de desbetreffende ziekten of waar de vaccinatie deel uitmaakt van een overeenkomstig artikel 44, lid 2, goedgekeurd uitroeiingsprogramma.
3. De lidstaten zien erop toe dat de bij Richtlijn 2001/82/EG en Verordening (EG) nr. 726/2004 toegestane vaccins worden gebruikt.
4. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op wetenschappelijke studies ten behoeve van de ontwikkeling en het testen van vaccins onder gecontroleerde omstandigheden.
De lidstaten dragen er zorg voor dat tijdens deze studies adequate maatregelen worden genomen ter bescherming van andere waterdieren tegen de schadelijke gevolgen van de in het kader van de studies uitgevoerde vaccinaties.