Art. 15 Richtlijn 2006/88/EG, Algemene voorschriften inzake het in de handel brengen van aquacultuurdieren bestemd voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet
1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk V dragen de lidstaten er zorg voor dat voor kweekdoeleinden in de handel gebrachte aquacultuurdieren:
a) klinisch gezond zijn,
en
b) niet afkomstig zijn van een kwekerij of kweekgebied van weekdieren waar zich een onopgeloste verhoogde sterfte voordoet.
Dit lid is ook van toepassing op niet in bijlage IV, deel II, vermelde ziekten en daarvoor gevoelige soorten.
2. In afwijking van lid 1, onder b), mogen de lidstaten evenwel, op basis van een risicobeoordeling, het in de handel brengen van dergelijke dieren toestaan op voorwaarde dat deze afkomstig zijn van een gedeelte van de kwekerij of het kweekgebied van weekdieren dat onafhankelijk is van de epizoötiologische eenheid waar de verhoogde sterfte zich heeft voorgedaan.
3. De lidstaten dragen er zorg voor dat aquacultuurdieren die in overeenstemming met de in hoofdstuk V bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen bestemd zijn om vernietigd of geslacht te worden, niet in de handel worden gebracht voor de kweek of om in het wild te worden uitgezet.
4. Aquacultuurdieren mogen alleen in het wild of in „put-en-take-visbedrijven” worden uitgezet indien zij:
a) voldoen aan de voorschriften van lid 1;
b) afkomstig zijn van een kwekerij of een kweekgebied van weekdieren met een gezondheidsstatus zoals bedoeld in bijlage III, deel A, die ten minste gelijk is aan die van de wateren waarin zij worden uitgezet.
De lidstaten kunnen evenwel vereisen dat de aquacultuurdieren uit een overeenkomstig artikel 49 of artikel 50 ziektevrij verklaard gebied afkomstig zijn. Zij kunnen tevens besluiten dit lid toe te passen op overeenkomstig artikel 43 opgestelde en uitgevoerde programma's.