Art. 4 Richtlijn 2006/70/EG, Occasionele of zeer beperkte financiële activiteiten
1. Voor de toepassing van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG mogen de lidstaten onverminderd lid 2 van dit artikel, natuurlijke en rechtspersonen die financiële activiteiten verrichten, aanmerken als personen die niet binnen het toepassingsgebied van artikel 3, leden 1 of 2, van die richtlijn vallen, indien zij aan alle volgende voorwaarden voldoen:
a) de financiële activiteit is in absolute zin beperkt van omvang;
b) de financiële activiteit is op transactiebasis beperkt;
c) de financiële activiteit vormt niet de hoofdactiviteit;
d) de financiële activiteit heeft een bijkomstig karakter en houdt rechtstreeks verband met de hoofdactiviteit;
e) met uitzondering van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder e), van Richtlijn 2005/60/EG genoemde activiteit, is de hoofdactiviteit niet een in artikel 2, lid 1, van die richtlijn genoemde activivteit;
f) de financiële activiteit wordt enkel verricht voor cliënten voor wie de hoofdactiviteit bedoeld is, en wordt in het algemeen niet aangeboden aan het publiek.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder a), mag de totale omzet van de financiële activiteit niet een drempel overschrijden die voldoende laag moet zijn. Deze drempel wordt, afhankelijk van het soort financiële activiteit, op nationaal niveau vastgesteld.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b), hanteren de lidstaten per cliënt en enkelvoudige transactie een bovengrens, ongeacht of de transactie plaatsvindt in één verrichting of in meer verrichtingen waartussen een verband lijkt te bestaan. Deze bovengrens wordt, afhankelijk van het soort financiële activiteit, op nationaal niveau vastgesteld. Zij ligt voldoende laag om ervoor te zorgen, dat dit soort transacties zeker geen geschikte of doelmatige methode vormen om geld wit te wassen of terrorisme te financieren, en bedraagt niet meer dan 1 000 EUR.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder c), schrijven de lidstaten voor, dat de omzet uit de financiële activiteit niet meer dan 5 % van de totale omzet van de betrokken natuurlijke of rechtspersoon bedraagt.
2. Wanneer de lidstaten voor de toepassing van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG het witwas- of terrorismefinancieringsrisico beoordelen, besteden zij speciale aandacht aan elke financiële activiteit, ten aanzien waarvan het door haar aard bijzonder waarschijnlijk mag worden geacht, dat zij kan worden gebruikt of misbruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.
De lidstaten beschouwen de in lid 1 bedoelde financiële activiteiten niet als activiteiten met een laag witwas- of terrorismefinancieringsrisico, indien er gegevens beschikbaar zijn die erop wijzen dat het risico mogelijk niet laag is.
3. Elke beslissing op grond van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG wordt met redenen omkleed. De lidstaten voorzien in de mogelijkheid deze beslissing in te trekken mocht er zich een verandering in de omstandigheden voordoen.
4. De lidstaten zetten risicogeoriënteerde controleactiviteiten op, of nemen andere maatregelen om ervoor te zorgen, dat de afwijkingsbeslissing op grond van artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG niet wordt misbruikt voor het witwassen van geld of voor de financiering van terrorisme.