Art. 24 Richtlijn 2006/48/EG
a) aan de moederonderneming of -ondernemingen is vergunning verleend als kredietinstelling in de lidstaat van het recht waaronder de financiële instelling valt;
b) de betrokken werkzaamheden worden daadwerkelijk uitgeoefend op het grondgebied van dezelfde lidstaat;
c) de moederonderneming of -ondernemingen is, respectievelijk zijn in het bezit van 90 % of meer van de aan de aandelen van de financiële instelling verbonden stemrechten;
d) de moederonderneming of -ondernemingen moet, respectievelijk moeten ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantonen dat de financiële instelling op een prudente wijze wordt beheerd en zich, met instemming van de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, hoofdelijk borg hebben gesteld voor de verplichtingen van de financiële instelling; en
e) de financiële instelling is, in het bijzonder voor de betrokken werkzaamheden, daadwerkelijk opgenomen in het toezicht op geconsolideerde basis waaraan de moederonderneming, of elk van de moederondernemingen, overeenkomstig titel V, hoofdstuk 4, afdeling 1, is onderworpen, met name met het oog op de vereisten ten aanzien van een minimaal eigen vermogen overeenkomstig artikel 75, voor het toezicht op de grote posities en de in de artikelen 120 tot en met 122 gestelde beperking van de deelnemingen.
De vervulling van deze voorwaarden wordt geverifieerd door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst, die vervolgens een attest aan de financiële instelling afgeven dat dient te worden gevoegd bij de in de artikelen 25 en 28, bedoelde kennisgevingen.
De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst dragen zorg voor het toezicht op de financiële instelling overeenkomstig het bepaalde in artikel 10, lid 1, de artikelen 19 tot en met 22, artikel 40, de artikelen 42 tot en met 52 en artikel 54.
2. Indien de financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea, niet langer aan één van de gestelde voorwaarden voldoet, stelt de lidstaat van herkomst de bevoegde autoriteit van de lidstaat van ontvangst daarvan in kennis, en vallen de door die financiële instelling in de lidstaat van ontvangst uitgeoefende werkzaamheden onder de wetgeving van de lidstaat van ontvangst.
3. De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op dochterondernemingen van een financiële instelling als bedoeld in lid 1, eerste alinea.