Art. 10 Richtlijn 2006/48/EG
1. Het eigen vermogen van een kredietinstelling mag niet kleiner worden dan het bij het verlenen van de vergunning krachtens artikel 9 vereiste niveau van aanvangskapitaal.
2. De lidstaten kunnen besluiten dat de kredietinstellingen die op 1 januari 1993 bestonden en waarvan het eigen vermogen de in artikel 9 vastgestelde niveaus voor het aanvangskapitaal niet bereikte, hun werkzaamheden mogen blijven uitoefenen. In dat geval mag het eigen vermogen niet kleiner worden dan het hoogste bedrag dat het sinds 22 december 1989 had bereikt.
3. Indien de zeggenschap over een kredietinstelling die tot de in lid 2 bedoelde categorie behoort, wordt overgenomen door een andere natuurlijke of rechtspersoon dan die welke voordien de zeggenschap over deze instelling uitoefende, dient het eigen vermogen van deze kredietinstelling ten minste gelijk te zijn aan het in artikel 9 vastgestelde niveau voor het aanvangskapitaal.
4. In welbepaalde omstandigheden en met instemming van de bevoegde autoriteiten mag bij fusie tussen twee of meer tot de in lid 2 bedoelde categorie behorende kredietinstellingen het eigen vermogen van de kredietinstelling die het resultaat van de fusie is, niet minder bedragen dan het totaal van de eigen vermogens van de gefuseerde kredietinstellingen op de datum van de fusie, zolang de passende niveaus zoals vastgesteld in artikel 9, niet zijn bereikt.
5. Indien het eigen vermogen in de in de leden 1, 2 en 4 bedoelde gevallen vermindert, kunnen de bevoegde autoriteiten, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen, de kredietinstelling een beperkte termijn toestaan om aan dit voorschrift te voldoen dan wel haar werkzaamheden te beëindigen.