Art. 4 Richtlijn 2006/32/EG, Algemene streefwaarde

Richtlijn 2006/32/EG

1. De lidstaten stellen een algemene nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde van 9 % vast, en streven ernaar die voor het negende toepassingsjaar van deze richtlijn te bereiken, die wordt verwezenlijkt door energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie. De lidstaten nemen kosteneffectieve, uitvoerbare en redelijke maatregelen die erop gericht zijn ertoe bij te dragen dat deze streefwaarde wordt bereikt.

Deze nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde wordt vastgesteld en berekend volgens de in bijlage I vermelde bepalingen en methode. Voor de vergelijking van energiebesparingen en voor omrekening in een vergelijkbare eenheid worden de in bijlage II vermelde omrekeningsfactoren gebruikt, tenzij het gebruik van andere omrekeningsfactoren kan worden gerechtvaardigd. Voorbeelden van mogelijke maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie staan in bijlage III. Een algemeen kader voor meting en controle van de energiebesparing is weergegeven in bijlage IV. De nationale energiebesparing in verhouding tot de nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde wordt vanaf 1 januari 2008 gemeten.

2. Met het oog op het eerste actieplan voor energie-efficiëntie (APEE), dat overeenkomstig artikel 14 moet worden ingediend, stelt elke lidstaat een tussentijdse nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde op voor het derde toepassingsjaar van deze richtlijn en een overzicht van hun strategie met betrekking tot het bereiken van de tussentijdse en algemene streefwaarden. Deze tussentijdse streefwaarde is realistisch en spoort met de algemene nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde bedoeld in lid 1.

De Commissie brengt een advies uit over de vraag of de tussentijdse nationale indicatieve energiebesparingsstreefwaarde realistisch is en spoort met de algemene streefwaarde.

3. Elke lidstaat legt programma's en maatregelen vast ter verbetering van de energie-efficiëntie.

4. De lidstaten belasten één of meer nieuwe of bestaande instanties of agentschappen met het algehele toezicht en de verantwoordelijkheid voor de bewaking van het kader dat is opgezet in verband met de in lid 1 vermelde streefwaarde; deze organen controleren vervolgens de energiebesparingen ten gevolge van energiediensten en andere maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, waaronder ook de bestaande nationale maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie, en brengen verslag uit over de resultaten.

5. Nadat de Commissie de eerste drie toepassingsjaren van deze richtlijn heeft geëvalueerd en hierover verslag heeft uitgebracht, gaat zij na of het wenselijk is een voorstel voor een richtlijn in te dienen teneinde de marktbenadering met het oog op de verbetering van de energie-efficiëntie door middel van „witte certificaten” verder te ontwikkelen.

Vorige artikelen

Volgende artikelen