Art. 23 Verordening (EG) nr. 1/2005, Noodmaatregelen bij niet-naleving van deze verordening door vervoerders
1. Indien een bevoegde autoriteit constateert dat een bepaling van deze verordening niet wordt of is nageleefd, neemt zij de nodige maatregelen om het welzijn van de dieren te beschermen of gelast zij de persoon die voor de dieren verantwoordelijk is, zulks te doen.
Deze maatregelen mogen geen onnodig of extra dierenleed veroorzaken en moeten in verhouding staan tot de ernst van de risico's in kwestie. De kosten van de maatregelen worden op passende wijze door de bevoegde autoriteit verhaald.
2. Naar gelang van de omstandigheden kunnen die maatregelen het volgende behelzen:
a) verandering van bestuurder of verzorger;
b) voorlopige reparatie van het vervoermiddel teneinde onmiddellijk letsel voor de dieren te voorkomen;
c) overlading van de partij of een gedeelte daarvan op een ander vervoermiddel;
d) terugzending van de dieren naar de plaats van vertrek langs de kortste weg, of indien het belang van het welzijn van de dieren hiermee beter gediend is, voortzetting van het transport van de dieren naar hun plaats van bestemming langs de kortste weg;
e) uitladen van de dieren en onderbrenging ervan in geschikte huisvesting met adequate verzorging totdat het probleem is opgelost.
Valt het welzijn van de dieren op geen enkele andere manier te beschermen, dan worden de dieren op humane wijze en pijnloos gedood.
3. Wanneer ten gevolge van de niet-naleving van deze verordening maatregelen genomen moeten worden als bedoeld in lid 1, en het noodzakelijk is de dieren te vervoeren in strijd met sommige bepalingen van deze verordening, geeft de bevoegde autoriteit een vergunning voor het vervoer van die dieren af. In de vergunning wordt duidelijk vermeld om welke dieren het gaat, en worden de voorwaarden omschreven waaronder zij mogen worden vervoerd totdat volledig aan deze verordening is voldaan. Deze vergunning vergezelt de dieren.
4. De bevoegde autoriteit draagt er onverwijld zorg voor dat de nodige maatregelen worden getroffen indien de persoon die voor de dieren verantwoordelijk is, niet bereikbaar is of verzuimt de aanwijzingen van de bevoegde autoriteit op te volgen.
5. De door de bevoegde autoriteiten genomen besluiten en de redenen daarvoor worden zo spoedig mogelijk ter kennis gebracht van de vervoerder of zijn vertegenwoordiger en aan de bevoegde autoriteit die de in artikel 10, lid 1, of in artikel 11, lid 1, bedoelde vergunning heeft verleend. Zo nodig verlenen de bevoegde autoriteiten de vervoerder bijstand bij het treffen van de vereiste noodmaatregelen.