Art. 22, Oponthoud tijdens het vervoer

1. De bevoegde autoriteit neemt de nodige maatregelen om oponthoud tijdens het vervoer, dan wel of het lijden van dieren te voorkomen of tot een minimum te beperken wanneer onvoorziene omstandigheden de toepassing van deze verordening verhinderen. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat er op de overlaadplaats, de plaatsen van uitgang en de grensinspectieposten speciale regelingen worden getroffen om voorrang te geven aan dierentransporten.

2. Er mogen geen partijen dieren tijdens het vervoer worden vastgehouden, tenzij dat voor het welzijn van de dieren of om redenen van openbare veiligheid strikt noodzakelijk is. Nodeloos oponthoud tussen het laden en het vertrek moet voorkomen worden. Indien een partij dieren tijdens het vervoer langer dan twee uur moet worden vastgehouden, zorgt de bevoegde autoriteit ervoor dat er adequate voorzieningen worden getroffen voor de verzorging van de dieren en, zo nodig, voor het voederen, drenken, uitladen en onderbrengen van de dieren.

Uitspraken die dit artikel aanhalen