Art. 36 Richtlijn 2005/85/EG, Begrip „Europees veilig derde land”
1. De lidstaten kunnen bepalen dat een behandeling van het asielverzoek of de beoordeling van de veiligheid van de asielzoeker in zijn bijzondere omstandigheden zoals omschreven in hoofdstuk II, niet dan wel niet volledig plaatsvindt in gevallen waarin de bevoegde autoriteit aan de hand van feitenmateriaal heeft vastgesteld dat de asielzoeker hun grondgebied illegaal tracht binnen te komen of net illegaal is binnengekomen vanuit een veilig derde land overeenkomstig lid 2.
2. Een derde land kan voor de toepassing van lid 1 alleen als veilig derde land worden beschouwd indien het:
a) het Verdrag van Genève zonder geografische beperkingen heeft geratificeerd en naleeft, en
b) over een bij wet voorgeschreven asielprocedure beschikt, en
c) het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden heeft geratificeerd en de daarin vervatte bepalingen naleeft, met inbegrip van de normen met betrekking tot daadwerkelijke rechtsmiddelen, en
d) door de Raad is aangemerkt als veilig derde land overeenkomstig lid 3.
3. De Raad stelt, bij gekwalificeerde meerderheid op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement, een gemeenschappelijke lijst op, of wijzigt deze, van derde landen die door de lidstaten voor de toepassing van lid 1 als veilig derde land worden beschouwd.
4. De betrokken lidstaten stellen nationale wetsbepalingen vast voor de uitvoering van de bepalingen van lid 1 en van de gevolgen van beslissingen die uit hoofde van die bepalingen worden gegeven, overeenkomstig het beginsel van non-refoulement van het Verdrag van Genève, inclusief bepalingen inzake uitzonderingen op de toepassing van dit artikel om humanitaire of politieke redenen dan wel om redenen van internationaal publiekrecht.
5. Bij de uitvoering van een uitsluitend op dit artikel gebaseerde beslissing dienen de betrokken lidstaten:
a) de asielzoeker hiervan op de hoogte te brengen, en
b) hem een document te verschaffen waarin de autoriteiten van het derde land in de taal van dat land ervan in kennis worden gesteld dat het verzoek niet inhoudelijk is onderzocht.
6. Wanneer het veilige derde land de asielzoeker niet terugneemt, zorgen de lidstaten ervoor dat toegang wordt verstrekt tot een procedure overeenkomstig de fundamentele beginselen en waarborgen die zijn beschreven in hoofdstuk II.
7. Lidstaten die overeenkomstig nationale wetgeving die op 1 december 2005 van kracht was, en op grond van de criteria van lid 2, onder a), b) en c), derde landen als veilige landen hebben aangemerkt, kunnen lid 1 op die derde landen toepassen totdat de Raad de gemeenschappelijke lijst uit hoofde van lid 3 heeft aangenomen.