Art. 39 Richtlijn 2005/60/EG
1. De lidstaten zien erop toe dat onder deze richtlijn vallende natuurlijke en rechtspersonen aansprakelijk kunnen worden gesteld voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
2. Onverminderd het recht van de lidstaten tot het opleggen van strafrechtelijke sancties, zien de lidstaten erop toe dat overeenkomstig hun nationale wetgeving passende administratieve maatregelen of administratieve sancties kunnen worden opgelegd aan kredietinstellingen en financiële instellingen voor inbreuken op de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen. De lidstaten zien erop toe dat deze maatregelen of sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.
3. In het geval van rechtspersonen zorgen de lidstaten er voor dat deze ten minste aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de in het lid 1 bedoelde inbreuken die in hun belang gepleegd zijn door iemand die hetzij als individu, hetzij als lid van een orgaan van de rechtspersoon handelt en die binnen de rechtspersoon een leidende positie bekleedt, op basis van:
a) de bevoegdheid om de rechtspersoon te vertegenwoordigen,
b) de bevoegdheid om namens de rechtspersoon beslissingen te nemen,
c) de bevoegdheid om binnen de rechtspersoon controle uit te oefenen.
4. Bovenop de reeds in lid 3 genoemde gevallen, zien de lidstaten erop toe dat een rechtspersoon aansprakelijk kan worden gesteld wanneer, bij gebreke van toezicht of controle door een in lid 3 bedoelde persoon, de in lid 1 bedoelde inbreuken konden worden gepleegd ten voordele van deze rechtspersoon door een onder het gezag van deze rechtspersoon staande persoon.