Art. 37 Richtlijn 2005/60/EG
1. De lidstaten vereisen van de bevoegde autoriteiten dat zij ten minste effectief controleren of de in deze richtlijn gestelde eisen worden nageleefd door alle instellingen en personen die onder deze richtlijn vallen en de nodige maatregelen nemen om die naleving te waarborgen.
2. De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten over de adequate bevoegdheden beschikken, met inbegrip van de mogelijkheid tot het afdwingen van het verstrekken van elke informatie die van belang is voor het toezicht op de naleving en het uitvoeren van controles, en over adequate middelen beschikken om hun taken te vervullen.
3. In het geval van kredietinstellingen, financiële instellingen en casino's hebben de bevoegde autoriteiten versterkte toezichthoudende bevoegdheden, met name de mogelijkheid om inspecties ter plaatse uit te voeren.
4. In het geval van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) tot en met e), genoemde natuurlijke en rechtspersonen mogen de lidstaten toestaan dat de in lid 1 bedoelde taken worden verricht op basis van de risicogevoeligheid.
5. In het geval van de in artikel 2, lid 1, punt 3, onder a) en b), bedoelde personen mogen de lidstaten toestaan dat de in lid 1 bedoelde taken worden verricht door zelfregulerende instanties, mits die voldoen aan lid 2.