Art. 31 Richtlijn 2005/60/EG
1. De lidstaten vereisen dat de onder deze richtlijn vallende kredietinstellingen en financiële instellingen, in voorkomend geval, voor hun in derde landen gevestigde bijkantoren en dochterondernemingen waarin zij een meerderheidsbelang hebben, ten aanzien van de klantenonderzoeksmaatregelen en de maatregelen op het gebied van de bewaring van bewijsstukken maatregelen toepassen die ten minste gelijkwaardig zijn aan die waarin deze richtlijn voorziet.
Wanneer de wetgeving van het betrokken derde land de toepassing van dergelijke gelijkwaardige maatregelen niet toelaat, vereisen de lidstaten van de betrokken krediet- en financiële instellingen dat zij de bevoegde autoriteiten van de relevante lidstaat van herkomst daarvan in kennis stellen.
2. De lidstaten en de Commissie stellen elkaar in kennis van de gevallen waarin de wetgeving van een derde land niet toestaat dat de krachtens de eerste alinea van lid 1 vereiste maatregelen worden toegepast, en waarin gecoördineerd zou kunnen worden opgetreden om een oplossing te vinden.
3. De lidstaten vereisen dat, indien de wetgeving van een derde land niet toestaat dat de krachtens de eerste alinea van lid 1 vereiste maatregelen worden toegepast, de krediet- en financiële instellingen extra maatregelen nemen om het risico van witwassen van geld of van financiering van terrorisme doeltreffend te bestrijden.