Art. 11 Verordening (EG) nr. 595/2004, Aangifte van de rechtstreekse verkopen

Verordening (EG) nr. 595/2004

1. Aan het einde van elk tijdvak van twaalf maanden dient elke producent een aangifte in waarin al zijn rechtstreekse verkopen per product zijn samengevat.

Voor schrikkeljaren wordt de hoeveelheid melk of melkequivalent verlaagd met 1/60 van de in februari en maart verkochte hoeveelheden of met 1/366 van de in het betrokken tijdvak van twaalf maanden verkochte hoeveelheden.

2. De producenten dienen de in lid 1 bedoelde aangifte vóór 15 mei van elk jaar in bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat.

De lidstaat kan bepalen dat de producenten met een referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen in voorkomend geval aangifte moeten doen van het feit dat zij in het betrokken tijdvak geen melk of andere zuivelproducten hebben verkocht of overgedragen.

3. De lidstaten verlangen van de producenten die de in lid 2 gestelde termijn niet in acht nemen, de betaling van een bedrag gelijk aan de heffing die verschuldigd is bij een overschrijding die overeenkomt met 0,01 % van de referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen per kalenderdag vertraging. Dit bedrag kan evenwel niet minder dan 100 EUR en niet meer dan 1000 EUR zijn.

Indien de betrokken producent zijn referentiehoeveelheid heeft overschreden en de nationale referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen eveneens is overschreden, moet hij ook een bijdrage in de heffing betalen die wordt berekend over de volledige overschrijding van zijn referentiehoeveelheid, en komt hij niet in aanmerking voor een eventuele hertoewijzing van ongebruikte referentiehoeveelheden als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1788/2003.

Indien een producent een onjuiste aangifte heeft ingediend, verlangt de lidstaat van hem de betaling van een bedrag dat in verhouding staat tot de betrokken hoeveelheid melk en de ernst van de onregelmatigheid en dat ten hoogste gelijk is aan de theoretische heffing over de hoeveelheid melk na toepassing van de correctie, vermenigvuldigd met 1,5.

4. Indien de aangifte niet vóór 1 juli wordt ingediend, wordt 30 dagen na de aanmaning door de lidstaat de referentiehoeveelheid voor rechtstreekse verkopen van de betrokken producent toegevoegd aan de nationale reserve. Gedurende de aanmaningsperiode wordt het bepaalde in lid 3, eerste alinea, verder toegepast.

5. De in de leden 3 en 4 bedoelde sancties worden niet opgelegd indien de lidstaat constateert dat het om overmacht gaat of dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of uit grove nalatigheid is begaan of dat de onregelmatigheid van verwaarloosbare invloed is op het functioneren van de regeling of op de doeltreffendheid van de controles.

Vorige artikelen

Volgende artikelen