Art. 8 Verordening (EG) nr. 595/2004, Afrekening van de leveringen
1. Aan het einde van elk tijdvak van twaalf maanden stellen de kopers voor elke producent een afrekening op waarin ten minste de hoeveelheid en het vetgehalte zijn vermeld van de melk die de producent in dat tijdvak heeft geleverd.
Voor schrikkeljaren wordt de hoeveelheid melk verlaagd met 1/60 van de in februari en maart geleverde hoeveelheden.
2. Vóór 15 mei van elk jaar dienen de kopers bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat een aangifte in waarin de in lid 1 bedoelde afrekeningen zijn samengevat; in die aangifte worden ten minste de totale hoeveelheid en het gemiddelde vetgehalte van de aan de koper geleverde melk vermeld en voorts worden daarin, voorzover zulks bij besluit van de lidstaat is voorgeschreven, de volgende gegevens opgenomen: de referentiehoeveelheid, het referentievetgehalte en de overeenkomstig artikel 10, lid 1, gecorrigeerde hoeveelheid van elke producent evenals, voor alle betrokken producenten, de som van hun individuele referentiehoeveelheden, de som van hun gecorrigeerde hoeveelheden en het gemiddelde referentievetgehalte.
In voorkomend geval geven de kopers aan dat zij in het betrokken tijdvak geen leveringen hebben ontvangen.
3. De lidstaat verlangt van de kopers die de in lid 2 gestelde termijn niet in acht nemen, de betaling van een bedrag gelijk aan de heffing die verschuldigd is bij een overschrijding die overeenkomt met 0,01 % van de door de producenten aan de koper geleverde hoeveelheden melk per kalenderdag vertraging. Zijn die hoeveelheden onbekend doordat geen aangifte is ingediend, dan worden zij door de bevoegde autoriteit geschat. Het bedoelde bedrag kan niet minder dan 100 EUR en niet meer dan 100000 EUR zijn.
4. Indien de aangifte niet vóór 1 juli wordt ingediend, trekken de lidstaten de erkenning in of verlangen zij de betaling van een bedrag dat in verhouding staat tot de betrokken hoeveelheid melk en de ernst van de onregelmatigheid.
Het bepaalde in de eerste alinea wordt toegepast 30 dagen na de aanmaning door de lidstaat.
Gedurende de aanmaningsperiode wordt het bepaalde in lid 3 verder toegepast.
5. De in de leden 3 en 4 bedoelde sancties worden niet opgelegd indien de lidstaat constateert dat het om overmacht gaat of dat de onregelmatigheid niet opzettelijk of uit grove nalatigheid is begaan of dat de onregelmatigheid van verwaarloosbare invloed is op het functioneren van de regeling of op de doeltreffendheid van de controles.