Art. 5 Richtlijn 2004/8/EG, Garantie van oorsprong van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling
1. Op basis van de in artikel 4, lid 1, bedoelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden zorgen de lidstaten ervoor dat, uiterlijk zes maanden na de vaststelling van deze waarden, de oorsprong van elektriciteit uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling kan worden gegarandeerd volgens objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria die door elke lidstaat zijn vastgelegd. Zij zorgen ervoor dat, op verzoek van de producent, een dergelijke garantie van oorsprong van de elektriciteit wordt afgegeven die de producenten in staat stelt aan te tonen dat de elektriciteit die zij verkopen, geproduceerd is door middel van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling.
2. De lidstaten kunnen een of meer bevoegde instanties aanwijzen die onafhankelijk zijn van de productie- en distributiebedrijven, voor het toezicht op de afgifte van de in lid 1 genoemde garantie van oorsprong.
3. De lidstaten of de bevoegde instanties voeren passende mechanismen in om ervoor te zorgen dat de garanties van oorsprong nauwkeurig en betrouwbaar zijn, en zij geven in het in artikel 10, lid 1, bedoelde verslag aan welke maatregelen zij hebben getroffen om de betrouwbaarheid van het garantiesysteem te garanderen.
4. Regelingen voor de garantie van oorsprong houden op zich niet het recht in om van de nationale steunregelingen gebruik te maken.
5. Een garantie van oorsprong:
- specificeert de calorische onderwaarde van de brandstofbron waaruit de elektriciteit is geproduceerd, de toepassing van de warmte die samen met de elektriciteit is gegenereerd, en de datum en plaats van de productie;
- specificeert overeenkomstig bijlage II de hoeveelheid elektriciteit gewonnen uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling waarvoor de garantie geldt;
- specificeert de besparing op primaire energie berekend overeenkomstig bijlage III op basis van de door de Commissie vastgestelde geharmoniseerde rendementsreferentiewaarden bedoeld in artikel 4, lid 1.
De lidstaten kunnen in de garantie van oorsprong aanvullende informatie opnemen.
6. De overeenkomstig lid 1 afgegeven garanties van oorsprong dienen door de lidstaten uitsluitend als bewijs voor de in lid 5 genoemde punten wederzijds te worden erkend. Weigering van de erkenning van garanties van oorsprong, in het bijzonder om redenen in verband met fraudepreventie, moet berusten op objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria.
Wanneer erkenning van een garantie van oorsprong wordt geweigerd, kan de Commissie de weigerende partij verplichten de garantie van oorsprong te erkennen, in het bijzonder in verband met objectieve, transparante en niet-discriminerende criteria waarop de erkenning gebaseerd is.