Art. 5
1. De lidstaten bepalen of het verzoek tot toegang en verblijf in het kader van het recht op gezinshereniging door de gezinshereniger dan wel door het gezinslid of de gezinsleden bij de bevoegde instantie van de betrokken lidstaat moet worden ingediend.
2. Het verzoek gaat vergezeld van documenten waaruit de gezinsband blijkt en documenten waaruit blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 4 en 6 en, indien van toepassing, de artikelen 7 en 8, alsook van gewaarmerkte afschriften van de reisdocumenten van de gezinsleden.
Teneinde bewijs voor het bestaan van een gezinsband te verkrijgen, kunnen de lidstaten desgewenst gesprekken houden met de gezinshereniger en diens gezinsleden en ander onderzoek verrichten dat nodig wordt geacht.
Bij de behandeling van een verzoek betreffende de partner met wie de gezinshereniger niet is gehuwd, houden de lidstaten, als bewijs van de gezinsband, rekening met factoren als een gezamenlijk kind, samenwoning in het verleden, registratie van het partnerschap of andere betrouwbare bewijsmiddelen.
3. Het verzoek wordt ingediend en behandeld wanneer de gezinsleden verblijven buiten het grondgebied van de lidstaat van verblijf van de gezinshereniger.
In afwijking hiervan kan een lidstaat in passende gevallen aanvaarden dat een verzoek wordt ingediend wanneer de gezinsleden zich reeds op zijn grondgebied bevinden.
4. Zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk negen maanden na de datum van indiening van een verzoek, stellen de bevoegde instanties van de lidstaat de persoon die het verzoek heeft ingediend, schriftelijk in kennis van de ten aanzien van hem genomen beslissing.
In bijzondere omstandigheden die verband houden met het complexe karakter van de behandeling van het verzoek, kan de in de eerste alinea genoemde termijn verlengd worden.
Een eventuele beslissing tot afwijzing van het verzoek wordt gemotiveerd. Gevolgen van het uitblijven van een beslissing bij het verstrijken van de in de eerste alinea genoemde termijn moeten bij de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat worden geregeld.
5. Bij de behandeling van het verzoek zorgen de lidstaten ervoor dat terdege rekening wordt gehouden met de belangen van minderjarige kinderen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Rb. Den Haag 14 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13124
- Rb. Den Haag 18 juni 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:9531
- Rb. Den Haag 24 juli 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:6944
- Rb. Den Haag 25 februari 2020, ECLI:NL:RBDHA:2020:1626
- Rb. Den Haag 14 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:7135
- Rb. Den Haag 8 juni 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:6798
- Rb. Den Haag 9 februari 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:1944
- Rb. Den Haag 19 december 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:16210
- Rb. Den Haag 29 november 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:14201
- Rb. Den Haag 7 maart 2013, ECLI:NL:RBDHA:2013:13699