Rb. Den Haag 14 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13124

Deze zaak betreft een verzoek ten behoeve van een Eritrese minderjarige die in Soedan verblijft om herenigd te worden met zijn pleegmoeder (referente) aan wie door Nederland subsidiaire bescherming is verleend. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 21 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1609) geoordeeld dat richtlijn 2003/86/EG in het Nederlandse recht van overeenkomstige toepassing is op subsidiair beschermden. De Afdeling heeft vervolgens aanleiding gezien de prejudiciële vraag aan het Hof voor te leggen of het Hof bevoegd is prejudiciële vragen te beantwoorden over de bepalingen van deze richtlijn in een geding dat gaat over het verblijfsrecht van een gezinslid van een subsidiair beschermde. Ook in deze zaak gaat het om een verzoek om gezinshereniging door een vreemdeling die in Nederland een verblijfsstatus heeft op grond van subsidiaire bescherming. De rechtbank verwijst daarom naar hetgeen de Afdeling heeft overwogen in voornoemde uitspraak van 21 juni 2017, bij het Hof geregistreerd onder zaaknummer C-380/17, en sluit aan bij de in die uitspraak geformuleerde eerste prejudiciële vraag. Verweerder heeft het verzoek afgewezen omdat eiser geen officiële bewijsstukken heeft overgelegd ter onderbouwing van de gezinsband met referente en hij geen plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij deze bewijsstukken niet heeft overgelegd en voor zijn stelling dat hij deze niet alsnog over kan overleggen. Eiser is daarom niet in de gelegenheid gesteld de gezinsband op een andere manier aan te tonen, zoals bijvoorbeeld door middel van gesprekken met eiser en referente. Het geschil spitst zich toe op de vraag of artikel 11, tweede lid, van richtlijn 2003/86/EG eraan in de weg staat dat verweerder toetst of, in het geval officiële bewijsstukken waaruit de gezinsband blijkt ontbreken, de gezinshereniger daar een plausibele verklaring voor heeft gegeven en, indien hij die plausibele verklaring niet heeft gegeven, het verzoek afwijst om de enkele reden dat die bewijsstukken niet over zijn gelegd. De rechtbank ziet daarom aanleiding het Hof te verzoeken bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen op de volgende vraag: Moet artikel 11, tweede lid, van de richtlijn 2003/86/EG, zo worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan de afwijzing van een verzoek om gezinshereniging van een vluchteling louter vanwege het feit dat hij bij zijn verzoek geen officiële bewijsstukken overlegt waaruit de gezinsband blijkt, of moet artikel 11, tweede lid, van de richtlijn 2003/86/EG, zo worden uitgelegd, dat het alleen dan in de weg staat aan de afwijzing van een verzoek om gezinshereniging van een vluchteling louter vanwege het ontbreken van officiële bewijsstukken waaruit de gezinsband blijkt, indien hij een plausibele verklaring heeft gegeven voor het feit dat hij deze bewijsstukken niet heeft over gelegd en voor zijn stelling dat hij deze bewijsstukken niet alsnog kan overleggen?

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken