Art. 21 Richtlijn 2003/71/EG, Bevoegdheden
1. Elke lidstaat wijst een centrale bevoegde administratieve autoriteit aan die verantwoordelijk is voor het vervullen van de in deze richtlijn omschreven verplichtingen en voor het zeker stellen dat de ter uitvoering van deze richtlijn vastgestelde bepalingen worden toegepast.
Indien dit krachtens de nationale wetgeving vereist is, kan een lidstaat evenwel andere administratieve autoriteiten aanwijzen om hoofdstuk III toe te passen.
Deze bevoegde autoriteiten zijn volledig onafhankelijk van alle marktdeelnemers.
Indien het een aanbieding van effecten aan het publiek of toelating tot de handel in een andere lidstaat dan de lidstaat van herkomst betreft, is alleen de centrale bevoegde administratieve autoriteit die door elke lidstaat is aangewezen gemachtigd om het prospectus goed te keuren.
2. De lidstaten kunnen hun bevoegde autoriteit of autoriteiten toestaan taken te delegeren. Met uitzondering van de delegatie van het publiceren van goedgekeurde prospectussen op het internet en de deponering van prospectussen zoals bedoeld in artikel 14, wordt elke delegatie van taken met betrekking tot de in deze richtlijn of in de maatregelen ter uitvoering ervan omschreven verplichtingen overeenkomstig artikel 31 uiterlijk op 31 december 2008 herzien en eindigt op 31 december 2011. Wanneer taken worden toegewezen aan andere entiteiten dan de in lid 1 bedoelde autoriteiten, geschiedt dat op een specifieke wijze, waarbij melding wordt gemaakt van de te vervullen taken en de voorwaarden waaronder deze taken dienen te worden uitgevoerd.
In deze voorwaarden is een bepaling opgenomen die de entiteit in kwestie ertoe verplicht zodanig op te treden en zich zodanig te organiseren dat belangenconflicten worden vermeden en dat in het kader van de uitoefening van de gedelegeerde taken verkregen informatie niet onrechtmatig wordt gebruikt noch wordt aangewend om concurrentie te verhinderen. De eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op de naleving van deze richtlijn en alle aangenomen uitvoeringsmaatregelen en voor het goedkeuren van het prospectus berust hoe dan ook bij de overeenkomstig lid 1 aangewezen bevoegde autoriteit(en).
De lidstaten stellen de Commissie en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten in kennis van alle met het oog op de delegatie van taken getroffen regelingen, inclusief de precieze voorwaarden voor het delegeren van taken.
3. Aan een bevoegde autoriteit worden alle bevoegdheden verleend die nodig zijn voor de vervulling van haar taken. Een bevoegde autoriteit die een aanvraag tot goedkeuring van een prospectus heeft ontvangen, heeft ten minste het recht om:
a) uitgevende instellingen, aanbieders of aanvragers van de toelating tot de handel te verplichten aanvullende informatie in het prospectus op te nemen indien zulks noodzakelijk is voor de bescherming van de beleggers;
b) uitgevende instellingen, aanbieders of aanvragers van de toelating tot de handel op een gereglementeerde markt, alsook de personen onder wiens zeggenschap zij staan of over wie zij zeggenschap uitoefenen, te verplichten informatie en documenten te verstrekken;
c) van accountants en bedrijfsleiding van de uitgevende instelling, aanbieder of aanvrager van de toelating tot de handel, alsook van de financiële intermediairs die met de aanbieding of de toelating tot de handel zijn belast, informatie te verlangen;
d) een openbare aanbieding of toelating tot de handel telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen op te schorten wanneer zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat er inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn is gepleegd;
e) het adverteren te verbieden of telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen op te schorten wanneer zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat er inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn is gepleegd;
f) een openbare aanbieding te verbieden wanneer zij tot de bevinding komt dat inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn is gepleegd of gegronde redenen heeft om aan te nemen dat er inbreuk op deze bepalingen zou kunnen worden gepleegd;
g) de handel op een gereglementeerde markt telkens voor maximaal tien opeenvolgende werkdagen op te schorten, of de betrokken gereglementeerde markt te verzoeken dit te doen, wanneer zij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat er inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn is gepleegd;
h) de handel op een gereglementeerde markt te verbieden wanneer zij tot de bevinding komt dat er inbreuk op de bepalingen van deze richtlijn is gepleegd;
i) openbaar te maken dat een uitgevende instelling niet aan zijn verplichtingen voldoet.
Indien de nationale wetgeving dit vereist, kan de bevoegde autoriteit de bevoegde rechterlijke instantie verzoeken zich uit te spreken over het gebruik van de onder d) tot en met h) bedoelde bevoegdheden.
4. Wanneer de effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, heeft de bevoegde autoriteit ook het recht om:
a) de uitgevende instelling te verplichten alle relevante informatie openbaar te maken die van invloed kan zijn op de beoordeling van de effecten die tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten, teneinde de bescherming van de beleggers en de goede werking van de markt te garanderen;
b) de handel in de effecten op te schorten, of de betrokken gereglementeerde markt te verzoeken dit te doen, wanneer zij van oordeel is dat de uitgevende instelling in een zodanige situatie verkeert dat de voortzetting van de handel de belangen van de beleggers zou schaden;
c) te garanderen dat een uitgevende instelling waarvan effecten op een gereglementeerde markt worden verhandeld, aan de in de artikelen 102 en 103 van Richtlijn 2001/34/EG neergelegde verplichtingen voldoet en in alle lidstaten waar de aanbieding is gedaan of waar de effecten worden verhandeld, aan alle beleggers gelijkwaardige informatie verstrekt en alle houders van effecten die zich in eenzelfde positie bevinden, gelijk behandelt;
d) op haar (hun) grondgebied overeenkomstig de nationale wetgeving inspecties ter plaatse uit te voeren om na te gaan of deze richtlijn en eventuele uitvoeringsmaatregelen worden nageleefd. Indien de nationale wetgeving dat vereist, kan (kunnen) de bevoegde autoriteit(en) gebruikmaken van dit recht door middel van een verzoek aan de bevoegde rechterlijke instantie en/of in samenwerking met andere autoriteiten.
5. De leden 1 tot en met 4 laten de mogelijkheid onverlet voor een lidstaat om aparte juridische en administratieve regelingen te treffen voor overzeese Europese grondgebieden waarvan hij de buitenlandse betrekkingen behartigt.