Art. 21 Richtlijn 2003/41/EG, Samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie

Richtlijn 2003/41/EG

1. De lidstaten dragen op passende wijze zorg voor de uniforme toepassing van deze richtlijn door een regelmatige uitwisseling van informatie en ervaringen, met het doel om de beste praktijken op dit gebied alsmede een nauwere samenwerking te ontwikkelen en op deze wijze mededingingsverstoringen te voorkomen en de voorwaarden te scheppen voor vlotte grensoverschrijdende deelneming.

2. De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken nauw samen met het doel om het toezicht op de activiteiten van de instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening te vergemakkelijken.

3. Elke lidstaat brengt de Commissie op de hoogte van belangrijke moeilijkheden die het gevolg zijn van de toepassing van deze richtlijn.

De Commissie en de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten bekijken zo snel mogelijk die moeilijkheden om daarvoor een passende oplossing te kunnen vinden.

4. Vier jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn brengt de Commissie verslag uit over de evaluatie van:

a) de toepassing van artikel 18 en de gemaakte vorderingen inzake de aanpassing van de nationale toezichtstelsels, en

b) de toepassing van artikel 19, lid 2, tweede alinea, met name de in de lidstaten heersende situatie in verband met het gebruik van bewaarders en de rol die zij in voorkomend geval vervullen.

5. De bevoegde autoriteiten van de lidstaat van ontvangst kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van herkomst vragen een besluit te nemen over de afscheiding van de activa en passiva van de instelling, zoals bepaald in artikel 16, lid 3, en artikel 18, lid 7.

Vorige artikelen

Volgende artikelen