Art. 12 Verordening (EG) nr. 1774/2002, Erkenning van verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties

Verordening (EG) nr. 1774/2002

1. Verbranding en meeverbranding van verwerkte producten geschieden volgens Richtlijn 2000/76/EG. Verbranding en meeverbranding van dierlijke bijproducten geschieden hetzij volgens Richtlijn 2000/76/EG, hetzij, indien die richtlijn niet van toepassing is, volgens deze verordening. Verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties moeten overeenkomstig voornoemde richtlijn of overeenkomstig lid 2 of 3 zijn erkend.

2. Om door de bevoegde autoriteit erkend te worden voor de verwijdering van dierlijke bijproducten moet een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie met een hoge capaciteit waarop Richtlijn 2000/76/EG niet van toepassing is, voldoen aan:

a) de algemene voorwaarden in bijlage IV, hoofdstuk I;

b) de exploitatievoorwaarden in bijlage IV, hoofdstuk II;

c) de vereisten in bijlage IV, hoofdstuk III, over lozingen van water;

d) de vereisten in bijlage IV, hoofdstuk IV, over residuen;

e) de temperatuurmetingsvereisten in bijlage IV, hoofdstuk V; en

f) de voorwaarden inzake abnormale werking in bijlage IV, hoofdstuk VI.

3. Om door de bevoegde autoriteit erkend te worden voor de verwijdering van dierlijke bijproducten moet een verbrandingsinstallatie of meeverbrandingsinstallatie met een lage capaciteit waarop Richtlijn 2000/76/EG niet van toepassing is:

a) alleen worden gebruikt voor de verwijdering van dode gezelschapsdieren en/of categorie 2- en categorie 3-materiaal;

b) indien de installatie zich bevindt in een bedrijf, alleen worden gebruikt om materiaal uit dat bedrijf te verwijderen;

c) voldoen aan de algemene voorwaarden in bijlage IV, hoofdstuk I;

d) voldoen aan de toepasselijke exploitatievoorwaarden in bijlage IV, hoofdstuk II;

e) voldoen aan de vereisten in bijlage IV, hoofdstuk IV, over residuen;

f) voldoen aan de toepasselijke temperatuurmetingsvereisten in bijlage IV, hoofdstuk V; en

g) voldoen aan de voorwaarden inzake abnormale werking in bijlage IV, hoofdstuk VI.

4. Zodra niet meer aan de erkenningseisen wordt voldaan, wordt de erkenning onmiddellijk geschorst.

5. De voorschriften van de leden 2 en 3 kunnen, in het licht van de ontwikkelingen van de wetenschappelijke kennis, na raadpleging van het betrokken wetenschappelijke comité, volgens de in artikel 33, lid 2, bedoelde procedure worden gewijzigd.