Art. 16 Verordening (EG) nr. 1774/2002, Algemene veterinairrechtelijke bepalingen
Verordening (EG) nr. 1774/2002
1. De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te waarborgen dat dierlijke bijproducten en de in de bijlagen VII en VIII genoemde daarvan afgeleide producten niet worden verzonden vanuit een bedrijf dat is gelegen in een zone waarvoor beperkingen gelden omdat daar een ziekte voorkomt waarvoor de soort waarvan het product is afgeleid, vatbaar is, en ook niet verzonden worden vanuit een inrichting of zone die bij verplaatsingen of handelsverkeer vanuit die inrichting of zone gevaar zouden opleveren voor de gezondheidsstatus van lidstaten of gebieden van lidstaten, tenzij de producten overeenkomstig deze verordening worden behandeld.
2. De in lid 1 bedoelde maatregelen waarborgen dat de producten afkomstig zijn van dieren:
a) die komen uit een bedrijf, gebied of een deel van een gebied of, in geval van aquacultuurproducten, uit een bedrijf, zone of deel van een zone waarvoor ten aanzien van de betrokken dieren en producten geen beperkende veterinairrechtelijke maatregelen gelden, met name beperkingen in verband met verplichte ziektebestrijdingsmaatregelen op grond van de communautaire wetgeving of in verband met ernstige besmettelijke ziekten zoals vermeld in Richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van vesiculaire varkensziekte(22);
b) die niet zijn geslacht in een bedrijf waar zich op het moment van het slachten dieren bevonden die besmet waren of vermoedelijk besmet waren met een van de ziekten waarvoor de onder a) bedoelde bepalingen gelden.
3. Op voorwaarde dat de in lid 2, onder a), bedoelde ziektebestrijdingsmaatregelen in acht worden genomen, wordt toegestaan dat dierlijke bijproducten en de in de bijlagen VII en VIII genoemde daarvan afgeleide producten, die afkomstig zijn uit een gebied of een deel van een gebied waarvoor veterinairrechtelijke beperkingen gelden, maar die niet of vermoedelijk niet besmet zijn, in de handel worden gebracht, mits, naar gelang van het geval:
a) de productie, het hanteren, het vervoer en de opslag van deze producten gescheiden van dan wel op andere tijdstippen geschieden dan die van producten die aan alle veterinairrechtelijke voorschriften voldoen,
b) de producten in een bedrijf dat daartoe is erkend door de lidstaat waar het gezondheidsprobleem zich voordoet, een behandeling hebben ondergaan die toereikend is om het betrokken diergezondheidsprobleem op te lossen overeenkomstig deze verordening,
c) de producten naar behoren worden geïdentificeerd,
d) de producten aan de eisen van de bijlagen VII en VIII, dan wel aan de volgens de procedure van artikel 33, lid 2, vastgestelde uitvoeringsbepalingen voldoen.
In specifieke omstandigheden kunnen bij volgens de procedure van artikel 33, lid 2, te nemen besluiten andere voorwaarden dan de in de eerste alinea genoemde voorwaarden worden vastgesteld. In deze besluiten dient rekening te worden gehouden met maatregelen of tests die op de dieren moeten worden uitgevoerd, en met de specifieke kenmerken van de ziekte van de betrokken soort; voorts moeten in die besluiten de maatregelen worden genoemd die nodig zijn ter bescherming van de gezondheid van dieren in de Gemeenschap.