Art. 5

1. Onverminderd de geldende regels inzake rapportage, vertrouwelijkheid en beroepsgeheim en de bepalingen van artikel 284 van het Verdrag dienen natuurlijke en rechtspersonen, entiteiten en organen:

a) de in bijlage II genoemde bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar zij woonachtig of gevestigd zijn en, rechtstreeks of via deze bevoegde autoriteiten, de Commissie onverwijld alle informatie te verstrekken die de naleving van deze verordening kan vergemakkelijken, bijvoorbeeld betreffende rekeningen en bedragen die overeenkomstig artikel 2 zijn bevroren.

In het bijzonder dient beschikbare informatie te worden verstrekt over tegoeden, financiële activa of economische middelen die gedurende de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze verordening eigendom zijn van of onder de zeggenschap vallen van de door het Sanctiecomité aangewezen en in bijlage 1 genoemde personen;

b) bij iedere verificatie van deze informatie met de in bijlage II bevoegde autoriteiten samen te werken.

2. Alle overeenkomstig dit artikel verstrekte of ontvangen informatie wordt uitsluitend gebruikt voor de doeleinden waarvoor zij werd verstrekt of ontvangen.

3. Alle aanvullende, rechtstreeks door de Commissie ontvangen informatie wordt ter beschikking gesteld van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten.

Uitspraken die dit artikel aanhalen