Art. 18 Verordening (EG) nr. 445/2002
1. Voor de berekening van de inkomensverliezen en de extra kosten die voortvloeien uit de verbintenissen wordt als referentieniveau het niveau gehanteerd dat overeenkomt met de gebruikelijke goede landbouwmethoden in het betrokken gebied waarvoor de maatregel geldt.
Waar de agronomische of milieuomstandigheden zulks rechtvaardigen, kan met de economische gevolgen van het ongebruikt laten van grond of het beëindigen van de toepassing van bepaalde landbouwmethoden rekening worden gehouden.
2. Behoudens in het geval van steun voor het houden van landbouwhuisdieren van rassen waarvan het houden dreigt te worden beëindigd, die per grootvee-eenheid of per gefokt dier kan worden betaald, mogen geen betalingen per productie-eenheid worden gedaan. Verbintenissen die normaal in andere eenheden dan oppervlakte worden gemeten, kunnen de lidstaten de betalingen op basis van die eenheden berekenen.
3. In de in lid 2 genoemde bijzondere gevallen zien de lidstaten erop toe dat de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1257/1999 vastgestelde, voor communautaire steunverlening in aanmerking komende maximumbedragen per jaar niet worden overschreden.
Daartoe kan de lidstaat kiezen uit de volgende mogelijkheden:
a) een maximum vaststellen voor het aantal eenheden per hectare van het bedrijf waarvoor verbintenissen op het gebied van milieumaatregelen in de landbouw gelden;
b) voor elk deelnemend bedrijf het maximale totaalbedrag bepalen en ervoor zorgen dat de betalingen voor elk bedrijf dit maximum niet overschrijden.
4. De betalingen mogen slechts op beperkingen van het gebruik van meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen of andere productiemiddelen worden gebaseerd indien die beperkingen technisch en economisch meetbaar zijn.