Art. 4, Vereisten inzake beroepsbekwaamheid

1. Verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen beschikken over passende kennis en bekwaamheid, als voorgeschreven door de lidstaat van herkomst van de tussenpersoon.

De lidstaten van herkomst kunnen de vereisten op het gebied van kennis en bekwaamheid aanpassen al naargelang de werkzaamheid van de verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon en de gedistribueerde producten, in het bijzonder indien de hoofdberoepswerkzaamheid van de tussenpersoon een andere is dan verzekeringsbemiddeling. In dat geval mag de betrokken persoon uitsluitend een verzekeringsbemiddelingsactiviteit uitoefenen indien een verzekeringstussenpersoon die aan de vereisten van dit artikel voldoet of een verzekeringsonderneming volledig aansprakelijk is voor de handelingen van die persoon.

De lidstaten kunnen voorschrijven dat de verzekeringsonderneming in de in artikel 3, lid 1, tweede alinea, bedoelde gevallen nagaat of de kennis en bekwaamheid van de tussenpersonen in overeenstemming zijn met het in de eerste alinea bedoelde vereiste en dat zij hun in voorkomend geval een opleiding verstrekt die beantwoordt aan de vereisten betreffende de door deze tussenpersonen aangeboden producten.

De lidstaten behoeven het in de eerste alinea bedoelde vereiste niet toe te passen op alle natuurlijke personen die werkzaam zijn in een onderneming en een verzekerings- of herverzekeringsbemiddelingsactiviteit uitoefenen. De lidstaten zorgen ervoor dat een redelijk aantal personen in de leiding van die ondernemingen die verantwoordelijk zijn voor bemiddeling inzake verzekeringsproducten alsmede iedere andere persoon die zich rechtstreeks met verzekerings- of herverzekeringsbemiddeling bezighoudt, het bewijs levert te beschikken over de kennis en bekwaamheid die relevant is voor de vervulling van hun taken.

2. Verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen zijn betrouwbaar. Zij hebben minimaal een blanco strafblad of enig ander nationaal equivalent met betrekking tot ernstige strafbare feiten in verband met vermogensdelicten of andere met financiële activiteiten verband houdende delicten en zij mogen niet voorheen failliet zijn verklaard, tenzij rehabilitatie overeenkomstig het nationale recht heeft plaatsgevonden.

In overeenstemming met het bepaalde in artikel 3, lid 1, tweede alinea, kunnen de lidstaten toestaan dat de verzekeringsonderneming de betrouwbaarheid van de verzekeringstussenpersonen verifieert.

De lidstaten behoeven het in de eerste alinea bedoelde vereiste niet toe te passen op alle natuurlijke personen die werkzaam zijn in een onderneming en een verzekerings- en herverzekeringsbemiddelingsactiviteit uitoefenen. De lidstaten zorgen ervoor dat de leiding van die ondernemingen en alle medewerkers die zich rechtstreeks met verzekerings- of herverzekeringsbemiddeling bezighouden, aan dat vereiste voldoen.

3. Verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen zijn in het bezit van een beroepsaansprakelijkheidsverzekering die het gehele grondgebied van de Gemeenschap dekt, of een andere vergelijkbare garantie voor aansprakelijkheid wegens beroepsnalatigheid, voor een bedrag van ten minste 1000000 EUR, van toepassing per schadegeval, en in het totaal 1500000 EUR per jaar voor alle schadegevallen, tenzij die verzekering of vergelijkbare garantie reeds wordt geboden door een verzekeringsonderneming, herverzekeringsonderneming of andere onderneming in naam waarvan de verzekerings- of herverzekeringstussenpersoon handelt of bevoegd is te handelen, of die onderneming volledig aansprakelijk is voor het handelen van de tussenpersoon.

4. De lidstaten treffen alle nodige maatregelen om de klanten te beschermen tegen het onvermogen van de verzekeringstussenpersoon om de premie aan de verzekeringsonderneming over te dragen of het bedrag van de schadevordering of premierestitutie aan de verzekerde over te dragen.

Die maatregelen hebben een of meer van de volgende vormen:

a) bij wet of bij overeenkomst vastgestelde bepalingen inhoudende dat door de klant aan de tussenpersoon betaalde bedragen worden geacht aan de onderneming te zijn betaald, terwijl door de onderneming aan de tussenpersoon betaalde bedragen, totdat de klant deze bedragen werkelijk ontvangt, worden geacht niet aan de klant te zijn betaald;

b) een bepaling volgens welke verzekeringstussenpersonen over een financiële draagkracht moeten beschikken die permanent 4 % van het totaal van de jaarlijks ontvangen premies beloopt, met een minimum van 15000 EUR;

c) een bepaling volgens welke het geld van klanten via strikt gescheiden klantenrekeningen wordt overgemaakt en uit deze rekeningen in geval van faillissement geen andere schuldeisers worden betaald;

d) een bepaling volgens welke een garantiefonds wordt opgericht.

5. Voor de uitoefening van het verzekerings- en herverzekeringsbemiddelingsbedrijf is het noodzakelijk dat permanent aan de in dit artikel vastgestelde beroepsvereisten wordt voldaan.

6. De lidstaten mogen de bovengenoemde vereisten aanscherpen of andere vereisten toevoegen voor de verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen die op hun grondgebied zijn ingeschreven.

7. De in lid 3 en lid 4 bedoelde bedragen worden om de vijf jaar aangepast aan de veranderingen in het door Eurostat bekendgemaakte Europees indexcijfer van de consumentenprijzen, voor de eerste maal vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn.

De bedragen worden automatisch aangepast door het basisbedrag te verhogen met de procentuele mutatie van het indexcijfer gedurende de periode tussen de inwerkingtreding van deze richtlijn en de eerste actualiseringsdatum, of tussen de laatste actualiseringsdatum en de volgende actualiseringsdatum, en naar boven afgerond op 1 EUR.