Art. 3 Richtlijn 2002/87/EG, Drempels ter bepaling van een financieel conglomeraat

Richtlijn 2002/87/EG

1. De activiteiten van een groep worden geacht in hoofdzaak plaats te vinden in de financiële sector in de zin van artikel 2, punt 14, onder c), indien het verhoudingsgetal tussen het balanstotaal van de tot de groep behorende gereglementeerde en niet-gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector en het balanstotaal van de groep als geheel groter is dan 40 %.

2. De activiteiten in de verschillende financiële sectoren worden geacht significant te zijn in de zin van artikel 2, punt 14, onder e), indien voor elke financiële sector het gemiddelde van het verhoudingsgetal tussen het balanstotaal van die financiële sector en het balanstotaal van de tot de groep behorende entiteiten uit de financiële sector en het verhoudingsgetal tussen de solvabiliteitsvereisten van die financiële sector en de totale solvabiliteitsvereisten van de tot de groep behorende entiteiten uit de financiële sector groter is dan 10 %.

Voor de toepassing van deze richtlijn is de kleinste financiële sector in een financieel conglomeraat de sector met het laagste gemiddelde, en de belangrijkste financiële sector in een financieel conglomeraat de sector met het hoogste gemiddelde. Voor het berekenen van het gemiddelde en voor het meten van de kleinste en de belangrijkste financiële sector worden de sector banken en de sector beleggingsdiensten samengenomen.

3. Sectoroverschrijdende activiteiten worden eveneens geacht significant te zijn in de zin van artikel 2, punt 14, onder e), indien het balanstotaal van de kleinste financiële sector van de groep groter is dan 6 miljard EUR. Indien de groep onder de in lid 2 bedoelde drempel blijft, kunnen de relevante bevoegde autoriteiten bij onderlinge overeenkomst besluiten de groep niet als een financieel conglomeraat aan te merken, of de bepalingen van de artikelen 7, 8 of 9 niet toe te passen, indien zij het onder deze richtlijn brengen van de groep of de toepassing van die bepalingen in het licht van de doeleinden van het aanvullende toezicht onnodig, dan wel ongepast of misleidend oordelen, gelet op, bijvoorbeeld:

a) het feit dat de relatieve omvang van de kleinste financiële sector van de groep, gemeten naar het in lid 2 bedoelde gemiddelde, dan wel gemeten naar balanstotaal of in de solvabiliteitsvereisten van die financiële sector, niet groter is dan 5 %; of

b) het marktaandeel, uitgedrukt in het balanstotaal in de sector banken of de sector beleggingsdiensten en uitgedrukt in geboekte brutopremies in de verzekeringssector, in geen enkele lidstaat groter is dan 5 %.

Besluiten genomen in overeenstemming met dit lid worden aan de andere betrokken bevoegde autoriteiten meegedeeld.

4. Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten bij onderlinge overeenkomst:

a) een entiteit buiten beschouwing laten bij de berekening van de verhoudingsgetallen in de gevallen bedoeld in artikel 6, lid 5;

b) het feit dat gedurende drie opeenvolgende jaren aan de in de leden 1 en 2 bedoelde drempels is voldaan in aanmerking nemen om plotselinge regimeverschuivingen te voorkomen, en dit feit buiten beschouwing laten indien er significante wijzigingen in de structuur van de groep zijn.

Indien een groep overeenkomstig de leden 1 en 2 als financieel conglomoraat is aangemerkt, worden de in de eerste alinea van dit lid genoemde besluiten genomen op basis van een voorstel van de coördinator van dat financieel conglomeraat.

5. Voor de toepassing van de leden 1, 2 en 3 kunnen de relevante bevoegde autoriteiten in uitzonderlijke gevallen bij onderlinge overeenkomst het op het balanstotaal gebaseerde criterium vervangen door één of beide van de volgende parameters of aanvullen met één van deze parameters of met beide, indien zij van oordeel zijn dat deze parameters van bijzondere relevantie zijn met het oog op het aanvullende toezicht krachtens deze richtlijn: inkomensstructuur en activiteiten buiten de balanstelling.

6. Voor de toepassing van de leden 1 en 2 worden, indien bij reeds aan aanvullend toezicht onderworpen conglomeraten de in die leden bedoelde verhoudingsgetallen kleiner worden dan respectievelijk 40 % en 10 %, gedurende de volgende drie jaar (lagere) verhoudingsgetallen van respectievelijk 35 % en 8 % gehanteerd, om plotselinge regimeverschuivingen te voorkomen.

Voor de toepassing van lid 3 wordt, indien bij reeds aan aanvullend toezicht onderworpen conglomeraten het balanstotaal van de kleinste financiële sector van de groep kleiner wordt dan 6 miljard EUR, gedurende de volgende drie jaar een bedrag van 5 miljard EUR gehanteerd, om plotselinge regimeverschuivingen te voorkomen.

Gedurende de in dit lid bedoelde periode kan de coördinator met instemming van de andere relevante bevoegde autoriteiten besluiten de in dit lid bedoelde lagere verhoudingsgetallen of het lagere bedrag niet langer te hanteren.

7. De in dit artikel bedoelde berekeningen betreffende de balans worden gemaakt op basis van het geaggregeerde balanstotaal van de tot de groep behorende entiteiten, volgens hun jaarrekeningen. Voor die berekening worden ondernemingen waarin de groep deelnemingen heeft, meegerekend voor het bedrag van hun balanstotaal dat overeenkomt met het geaggregeerde proportionele aandeel van de groep. Indien evenwel geconsolideerde rekeningen beschikbaar zijn, worden in plaats van de geaggregeerde rekeningen de geconsolideerde rekeningen gebruikt.

De in lid 2 en lid 3 bedoelde solvabiliteitsvereisten worden berekend volgens de relevante sectorale voorschriften.

Vorige artikelen

Volgende artikelen