Art. 2 Richtlijn 2002/87/EG, Definities
In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1. kredietinstelling: een kredietinstelling in de zin van artikel 1, punt 1, tweede alinea, van Richtlijn 2000/12/EG;
2. verzekeringsonderneming: een verzekeringsonderneming in de zin van artikel 6 van Richtlijn 73/239/EEG, artikel 6 van Richtlijn 79/267/EEG of artikel 1, onder b), van Richtlijn 98/78/EG;
3. beleggingsonderneming: een beleggingsonderneming in de zin van artikel 1, punt 2, van Richtlijn 93/22/EEG, met inbegrip van de ondernemingen bedoeld in artikel 2, punt 4, van Richtlijn 93/6/EEG;
4. gereglementeerde entiteit: een kredietinstelling, een verzekeringsonderneming of een beleggingsonderneming;
5. vermogensbeheerder: een beheersmaatschappij in de zin van artikel 1 bis van Richtlijn 85/611/EG van de Raad van 20 december 1985 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's)(14), alsook een onderneming waarvan het hoofdkantoor buiten de Gemeenschap is gelegen en die overeenkomstig artikel 5, lid 1, van die richtlijn vergunningsplichtig zou zijn indien zij haar hoofdkantoor in de Gemeenschap had;
6. herverzekeringsonderneming: een herverzekeringsonderneming in de zin van artikel 1, onder c), van Richtlijn 98/78/EG;
7. sectorale voorschriften: de Gemeenschapswetgeving betreffende het bedrijfseconomisch toezicht op gereglementeerde entiteiten, die in het bijzonder vastgesteld is in de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 98/78/EG, 93/6/EEG, 93/22/EEG en 2000/12/EG;
8. financiële sector: de sector die bestaat uit een of meer van de volgende entiteiten:
a) een kredietinstelling, een financiële instelling of een onderneming die nevendiensten van het bankbedrijf verricht in de zin van artikel 1, punten 5 en 23, van Richtlijn 2000/12/EG (de sector banken);
b) een verzekeringsonderneming, een herverzekeringsonderneming of een verzekeringsholding in de zin van artikel 1, onder i), van Richtlijn 98/78/EG (de sector verzekeringen);
c) een beleggingsonderneming of een financiële instelling in de zin van artikel 2, punt 7, van Richtlijn 93/6/EEG (de sector beleggingsdiensten);
d) een gemengde financiële holding;
9. moederonderneming: een moederonderneming in de zin van artikel 1 van Zevende Richtlijn 83/349/EEG van de Raad van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening(15), alsmede iedere onderneming die, naar de mening van de bevoegde autoriteiten, feitelijk een overheersende invloed op een andere onderneming uitoefent;
10. dochteronderneming: een dochteronderneming in de zin van artikel 1 van Richtlijn 83/349/EEG van de Raad, alsmede iedere onderneming waarop, naar de mening van de bevoegde autoriteiten, een moederonderneming feitelijk een overheersende invloed uitoefent; alle dochterondernemingen van dochterondernemingen worden eveneens geacht dochterondernemingen te zijn van de moederonderneming;
11. deelneming: een deelneming in de zin van artikel 17, eerste zin, van Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen(16), of de rechtstreekse of middellijke eigendom van 20 % of meer van de stemrechten of van het kapitaal van een onderneming;
12. groep: een groep ondernemingen bestaande uit een moederonderneming, haar dochterondernemingen en de deelnemingen van de moederonderneming en haar dochterondernemingen, alsook ondernemingen die met elkaar verbonden zijn door een betrekking als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG;
13. nauwe banden: een situatie waarbij twee of meer natuurlijke of rechtspersonen zijn verbonden door
a) een deelneming, dat wil zeggen het rechtstreeks of door middel van een zeggenschapsband houden van ten minste 20 % van de stemrechten of het kapitaal van een onderneming, of
b) een zeggenschapsband, dat wil zeggen de band die bestaat tussen een moederonderneming en een dochteronderneming, in alle gevallen zoals bedoeld in artikel 1, leden 1 en 2, van Richtlijn 83/349/EEG, of een band van dezelfde aard tussen een natuurlijke of rechtspersoon en een onderneming; elke dochteronderneming van een dochteronderneming wordt ook beschouwd als een dochteronderneming van de moederonderneming die aan het hoofd van deze ondernemingen staat.
Als een nauwe band tussen twee of meer natuurlijke of rechtspersonen wordt tevens beschouwd een situatie waarin deze personen via een zeggenschapsband duurzaam verbonden zijn met eenzelfde persoon;
14. financieel conglomeraat: een groep die, onder voorbehoud van artikel 3, aan de volgende voorwaarden voldoet:
a) een gereglementeerde entiteit in de zin van artikel 1 staat aan het hoofd van de groep, of ten minste één van de dochterondernemingen in de groep is een gereglementeerde entiteit in de zin van artikel 1;
b) indien een gereglementeerde entiteit in de zin van artikel 1 aan het hoofd van de groep staat, is deze hetzij een moederonderneming van een entiteit in de financiële sector, hetzij een entiteit die houder is van een deelneming in een entiteit in de financiële sector, dan wel een entiteit die met een entiteit in de financiële sector verbonden is door een betrekking als bedoeld in artikel 12, lid 1, van Richtlijn 83/349/EEG;
c) indien aan het hoofd van de groep geen gereglementeerde entiteit in de zin van artikel 1 staat, vinden de activiteiten van de groep in hoofdzaak plaats in de financiële sector in de zin van artikel 3, lid 1;
d) ten minste één van de entiteiten in de groep is een entiteit uit de verzekeringssector en ten minste één van de entiteiten in de groep is een entiteit uit de sector banken of de sector beleggingsdiensten;
e) zowel de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de tot de groep behorende entiteiten uit de verzekeringssector alsook de geconsolideerde en/of geaggregeerde activiteiten van de entiteiten uit de sector banken en de sector beleggingsdiensten zijn significant in de zin van artikel 3, lid 2 of lid 3;
iedere subgroep van een groep in de zin van punt 12 die aan de criteria van dit punt beantwoordt, wordt beschouwd als een financieel conglomeraat;
15. gemengde financiële holding: een moederonderneming die niet een gereglementeerde entiteit is en die samen met haar dochterondernemingen - waarvan er ten minste één een gereglementeerde entiteit met hoofdkantoor in de Gemeenschap is - en met andere entiteiten een financieel conglomeraat vormt;
16. bevoegde autoriteiten: de nationale autoriteiten van de lidstaten die krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen gemachtigd zijn om toezicht uit te oefenen op kredietinstellingen en/of verzekeringsondernemingen en/of beleggingsondernemingen, hetzij op individuele, hetzij op groepsbrede basis;
17. relevante bevoegde autoriteiten:
a) de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die verantwoordelijk zijn voor het sectorale groepsbrede toezicht op de gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat;
b) de overeenkomstig artikel 10 benoemde coördinator indien deze niet samenvalt met de onder a) bedoelde autoriteiten;
c) andere betrokken bevoegde autoriteiten indien die naar het oordeel van de onder a) en onder b) bedoelde autoriteiten relevant zijn. In hun oordeel houden deze in het bijzonder rekening met het marktaandeel dat de gereglementeerde entiteiten van het conglomeraat in andere lidstaten hebben, inzonderheid indien dit meer dan 5 % bedraagt, en met het belang van iedere in een andere lidstaat gevestigde gereglementeerde entiteit in het conglomeraat;
18. intragroeptransacties: alle transacties waarbij gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat rechtstreeks of middellijk en al dan niet tegen betaling een beroep doen op andere ondernemingen binnen dezelfde groep of op door "nauwe banden" met de ondernemingen in die groep verbonden natuurlijke personen of rechtspersonen voor de uitvoering van een al dan niet contractuele verplichting hetzij tot betaling, hetzij anderszins;
19. risicoconcentratie: alle door entiteiten in een financieel conglomeraat ingenomen potentieel verliesgevende posities die groot genoeg zijn om de solvabiliteit of de financiële positie in het algemeen van de gereglementeerde entiteiten in het financiële conglomeraat in gevaar te brengen, als gevolg van tegenpartijrisico/kredietrisico, beleggingsrisico, verzekeringsrisico, marktrisico, andere risico's, of een combinatie of wisselwerking van deze risico's.