Art. 59 Richtlijn 2002/83/EG, Behandeling van verzekeringsondernemingen van de Gemeenschap door derde landen
1. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de algemene moeilijkheden die hun verzekeringsondernemingen ondervinden bij vestiging of uitoefening van hun werkzaamheden in een derde land.
2. De Commissie stelt periodiek een verslag op waarin de in de leden 3 en 4 bedoelde behandeling van verzekeringsondernemingen van de Gemeenschap in derde landen, met betrekking tot de vestiging en de uitoefening van verzekeringswerkzaamheden en het verwerven van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van derde landen wordt onderzocht. De Commissie legt deze verslagen, in voorkomend geval vergezeld van passende voorstellen, voor aan de Raad.
3. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 2 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat een derde land de verzekeringsondernemingen van de Gemeenschap geen daadwerkelijke toegang tot de markt verleent die vergelijkbaar is met die welke de Gemeenschap toekent aan verzekeringsondernemingen van dat derde land, kan zij aan de Raad voorstellen doen om een passend onderhandelingsmandaat te verkrijgen teneinde voor de verzekeringsondernemingen van de Gemeenschap vergelijkbare concurrentiemogelijkheden te verkrijgen. De Raad besluit met gekwalificeerde meerderheid van stemmen.
4. Indien de Commissie vaststelt, hetzij op grond van de in lid 2 bedoelde verslagen, hetzij op basis van andere informatie, dat in een derde land verzekeringsondernemingen van de Gemeenschap geen nationale behandeling krijgen die dezelfde concurrentiemogelijkheden biedt als die welke aan binnenlandse verzekeringsondernemingen worden geboden, en dat de voorwaarden voor daadwerkelijke toegang tot de markt niet zijn vervuld, kan zij onderhandelingen openen om dit euvel te verhelpen.
In de in de eerste alinea bedoelde omstandigheden kan ook, naast het openen van onderhandelingen overeenkomstig de procedure van artikel 65, lid 2, worden besloten dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten hun beslissingen moeten beperken of opschorten inzake:
- op het tijdstip van het besluit of later ingediende vergunningsaanvragen, en
- het verwerven van deelnemingen door rechtstreekse of middellijke moederondernemingen die onder het recht van het betrokken derde land vallen.
De bedoelde maatregelen zijn ten hoogste drie maanden geldig.
Vóór het verstrijken van deze termijn van drie maanden kan de Raad in het licht van het resultaat van de onderhandelingen op voorstel van de Commissie met gekwalificeerde meerderheid van stemmen besluiten of de genomen maatregelen van toepassing blijven.
Een dergelijke beperking of opschorting geldt niet voor de oprichting van dochterondernemingen door verzekeringsondernemingen of dochterondernemingen daarvan die een vergunning hebben gekregen in de Gemeenschap, noch voor het verwerven van deelnemingen door dergelijke ondernemingen of dochterondernemingen in een verzekeringsonderneming van de Gemeenschap.
5. Indien de Commissie één van de in de leden 3 en 4 bedoelde vaststellingen doet, stellen de lidstaten haar desgevraagd in kennis van:
a) elke vergunningaanvraag door een rechtstreekse of middellijke dochteronderneming waarvan één of meer moederondernemingen onder het recht van het betrokken derde land vallen;
b) elk door een dergelijke onderneming voorgelegd project voor verwerving van een deelneming in een verzekeringsonderneming van de Gemeenschap, waardoor laatstgenoemde de dochteronderneming van eerstgenoemde wordt.
Deze kennisgevingsverplichting vervalt zodra met een derde land als bedoeld in lid 3 of lid 4 een overeenkomst is gesloten of wanneer de in lid 4, tweede en derde alinea, bedoelde maatregelen niet meer van toepassing zijn.
6. De krachtens dit artikel getroffen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met de verplichtingen die de Gemeenschap heeft uit hoofde van bilaterale of multilaterale internationale overeenkomsten inzake de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van verzekeringsondernemingen.