Art. 16 Richtlijn 2002/59/EG, Doorgeleiding van informatie betreffende bepaalde schepen
1. Als een potentieel gevaar voor de scheepvaart of als een bedreiging voor de veiligheid ter zee, voor de veiligheid van personen of voor het milieu worden beschouwd, schepen waarop onderstaande criteria van toepassing zijn:
a) schepen die in de loop van hun reis:
- betrokken zijn geweest bij incidenten of ongevallen op zee als bedoeld in artikel 17; of
- in gebreke zijn gebleven ten aanzien van de bij deze richtlijn voorgeschreven verplichte meldingen; of
- de toepasselijke regels van de scheepsrouteringssystemen en de verkeersbegeleidingssystemen die onder de verantwoordelijkheid van een lidstaat vallen, hebben overtreden;
b) schepen waartegen bewijzen of vermoedens bestaan van moedwillige lozing van olie, of andere inbreuken op het MARPOL-verdrag, in wateren die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen;
c) schepen waaraan de toegang tot havens van de lidstaten is geweigerd of waarover een rapport is uitgebracht of een melding van een lidstaat is verricht overeenkomstig bijlage I, deel I, van Richtlijn 95/21/EG van de Raad van 19 juni 1995 betreffende havenstaatcontrole(9).
2. Kuststations die beschikken over relevante informatie met betrekking tot de in lid 1 bedoelde schepen delen deze mee aan de betrokken kuststations van de overige lidstaten langs de door het schip te volgen route.
3. De lidstaten zien erop toe dat de hun uit hoofde van lid 2 meegedeelde informatie wordt doorgeleid aan de betrokken havenautoriteiten en/of alle andere door de lidstaat aangewezen instanties. Voorzover zij daarvoor personeel beschikbaar hebben, verrichten de lidstaten in hun havens hetzij op eigen initiatief hetzij op verzoek van een andere lidstaat alle passende inspecties of verificaties, onverminderd de verplichtingen uit hoofde van de havenstaatcontrole. Zij stellen alle betrokken lid-staten op de hoogte van de resultaten van de ondernomen actie.