Art. 15 Richtlijn 2002/24/EG
1. De lidstaten mogen het in de handel brengen, de verkoop, het in het verkeer brengen en het gebruik van nieuwe voertuigen die aan deze richtlijn voldoen niet verbieden. Slechts voertuigen die aan deze richtlijn beantwoorden mogen voor eerste registratie worden aangemeld.
2. De lidstaten verbieden niet het in de handel brengen, de verkoop, het in het verkeer brengen of het gebruik van nieuwe technische eenheden of nieuwe onderdelen die aan deze richtlijn voldoen. Alleen technische eenheden en onderdelen die aan deze richtlijn voldoen mogen in de handel worden gebracht en voor het eerst worden verkocht voor gebruik in de lidstaten.
3. Afwijkingen van de leden 1 en 2:
a) de lidstaten mogen voor voertuigen, systemen, technische eenheden en onderdelen die:
i) hetzij in kleine series tot 200 exemplaren per jaar per voertuigtype of per type systeem, onderdeel of technische eenheid worden geproduceerd,
ii) hetzij bestemd zijn voor het leger, de ordehandhavingsdiensten, de bescherming van de burgerbevolking, de brandweer of openbare werken,
ontheffing verlenen van een of meer voorschriften van de bijzondere richtlijnen.
De overige lidstaten moeten binnen een maand nadat deze ontheffingen zijn verleend, van deze ontheffingen in kennis worden gesteld. Die lidstaten besluiten binnen drie maanden of zij de typegoedkeuring aanvaarden van voertuigen die op hun grondgebied zullen worden geregistreerd. Het goedkeuringsformulier mag niet als titel hebben "EG-goedkeuringsformulier voor een type voertuig".
b) Nationale goedkeuringen die zijn verleend vóór 17 juni 1999, blijven in de lidstaten die deze goedkeuringen verlenen geldig voor een periode van vier jaar, ingaand op de datum waarop de nationale wetgevingen in overeenstemming dienen te zijn met de corresponderende richtlijnen.
In de lidstaten die andere wettelijke stelsels toepasten dan dat van de goedkeuring, geldt dezelfde periode van vier jaar eveneens voor typen voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden die in overeenstemming zijn met de nationale voorschriften die van kracht waren vóór het van toepassing worden van de desbetreffende richtlijnen.
Voertuigen waarop deze afwijking van toepassing is, mogen gedurende deze periode in de handel worden gebracht, worden verkocht en in het verkeer worden gebracht zonder dat aan het gebruik ervan een termijn verbonden is.
Het in de handel brengen, de verkoop en het gebruik van systemen, technische eenheden en onderdelen die voor deze voertuigen zijn bestemd, wordt niet aan een termijn gebonden.
4. Deze richtlijn laat de bevoegdheid van de lidstaten onverlet om - met inachtneming van het Verdrag - de voorschriften vast te stellen die zij noodzakelijk achten om de gebruikers bij het gebruik van de betrokken voertuigen de nodige bescherming te bieden, voorzover dit geen wijziging van de voertuigen met zich brengt.