Art. 31, Doorgifteverplichtingen
1. De lidstaten kunnen ten aanzien van nader bepaalde radio- en televisieomroepnetten en -diensten aan de onder hun bevoegdheid ressorterende ondernemingen die elektronische communicatienetwerken aanbieden welke voor de distributie van radio- of televisie-uitzendingen naar het publiek worden gebruikt, redelijke doorgifteverplichtingen opleggen indien deze netwerken voor een significant aantal eindgebruikers het belangrijkste middel zijn om radio- en televisie-uitzendingen te ontvangen. Dergelijke verplichtingen worden alleen opgelegd indien zij noodzakelijk zijn om duidelijk omschreven doelstellingen van algemeen belang te verwezenlijken en moeten evenredig en transparant zijn.
2. Noch lid 1 noch artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/19/EG (Toegangsrichtlijn) doen afbreuk aan de mogelijkheid voor lidstaten om al dan niet een passende vergoeding vast te stellen voor de overeenkomstig dit artikel genomen maatregelen en er tevens voor te zorgen dat er in vergelijkbare omstandigheden geen sprake is van discriminatie in de behandeling van ondernemingen die elektronische communicatienetwerken aanbieden. Wanneer vergoeding wordt aangeboden zorgen de lidstaten ervoor dat dit gebeurt op evenredige en transparante wijze.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- ABRvS 12 mei 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BM4162
- ABRvS 11 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW1610
- Rb. Groningen 28 februari 2011, ECLI:NL:RBGRO:2011:BP9784
- Rb. Groningen 6 november 2009, ECLI:NL:RBGRO:2009:BL7177
- Rb. Den Haag 29 januari 2014, ECLI:NL:RBDHA:2014:1004
- Rb. Amsterdam 9 juli 2009, ECLI:NL:RBAMS:2009:BJ7057