Art. 39 Verordening (EG) nr. 2535/2001

Verordening (EG) nr. 2535/2001

1. Voor de monitoring van de hoeveelheden Nieuw-Zeelandse boter wordt rekening gehouden met alle hoeveelheden waarvoor gedurende de betrokken contingentperiode aangiften voor het vrije verkeer zijn aanvaard.

2. Uiterlijk op 31 januari na afloop van een bepaald contingentjaar stellen de lidstaten de Commissie in kennis van de definitieve maandelijkse hoeveelheden en de totale aan dat contingentjaar toegerekende hoeveelheid boter waarvoor in dat voorafgaande contingentjaar aangiften voor het vrije verkeer in het kader van het in lid 1 bedoelde tariefcontingent zijn aanvaard. De maandelijkse kennisgeving gebeurt uiterlijk op de tiende van de maand na die waarin de aangiften voor het vrije verkeer zijn aanvaard.

3. Uiterlijk op 28 februari van elk jaar deelt het Verenigd Koninkrijk de Commissie voor het voorafgaande contingentjaar mee voor welke hoeveelheid boter een zekerheid is gesteld en voor welke in het vrije verkeer gebrachte hoeveelheid boter de zekerheid is vrijgegeven. Indien op 28 februari nog niet de volledige gegevens beschikbaar zijn, vindt aanvulling zonder al te veel vertraging plaats.

Uiterlijk op 31 januari na afloop van elk contingentjaar deelt het Verenigd Koninkrijk de Commissie op basis van de in artikel 38, onder c), bedoelde gegevens een gedetailleerde inventaris voor het contingentjaar mee met per afgegeven certificaat IMA 1 het identificatienummer ervan en de erdoor gedekte hoeveelheid samen met het totale aantal certificaten en de totale daardoor gedekte hoeveelheid voor het jaar. Deze inventaris bevat tevens alle relevante gegevens met betrekking tot elke annulering, correctie of wijziging van welk certificaat IMA 1 ook en elke afgegeven kopie van een certificaat IMA 1.