Art. 10 Verordening (EG) nr. 213/2001, Opsporing van koemelkcaseïne
1. De in bijlage XV opgenomen referentieanalysemethode wordt toegepast om te garanderen dat kaas die uitsluitend uit schapen-, geiten- of buffelmelk of uit een mengsel van schapen-, geiten- en buffelmelk mag zijn vervaardigd, geen koemelkcaseïne bevat.
Koemelkcaseïne wordt geacht aanwezig te zijn, als het schijnbare gehalte aan koemelkcaseïne van het geanalyseerde monster gelijk is aan of hoger is dan het betrokken gehalte van het referentiemonster van bijlage XV, dat 1 % koemelk bevat.
2. Voor de opsporing van koemelkcaseïne in de in lid 1 bedoelde kaassoorten mogen onder de volgende voorwaarden routinemethoden worden gebruikt:
a) met de methode moet een gehalte van 0,5 % of minder opgespoord kunnen worden,
b) de methode mag geen vals-positieve resultaten geven,
c) de koemelkcaseïne moet ook na lange rijpingsperiodes, zoals die in de handel gebruikelijk kunnen zijn, met de vereiste gevoeligheid kunnen worden opgespoord.
Als niet aan de onder b) genoemde voorwaarde wordt voldaan, moet ieder positief bevonden monster met gebruikmaking van de referentiemethode worden geanalyseerd.
Als voor een van de in lid 1 bedoelde kaassoorten niet aan de onder c) bedoelde eis wordt voldaan, moet deze kaas worden geanalyseerd met gebruikmaking van de referentiemethode.