Art. 11 Verordening (EG) nr. 213/2001, Opsporing van colibacteriën
1. De in bijlage XVI beschreven referentieanalysemethode geldt voor het onderzoek op colibacteriën van boter, mageremelkpoeder, caseïne en caseïnaten.
2. Routinemethodes voor het onderzoek op colibacteriën mogen worden gebruikt, op voorwaarde dat de verkregen resultaten vergelijkbaar zijn met die van de in de genoemde bijlage beschreven referentiemethode. De routinemethodes moeten met name een afdoende detectiegrens hebben. Vals-negatieve resultaten mogen niet voorkomen. Als vals-positieve resultaten niet kunnen worden uitgesloten, moet elk positief resultaat aan de hand van de referentiemethode worden bevestigd.