Art. 22 Verordening (EG) nr. 45/2001, Beveiliging van de verwerking
1. De verantwoordelijke voor de verwerking treft passende technische en organisatorische maatregelen om, gelet op de risico's die de verwerking en de aard van de te beschermen persoonsgegevens met zich meebrengen, een passend beveiligingsniveau te waarborgen, hierbij houdt hij rekening met de stand van de techniek en met de kosten van uitvoering van de maatregelen.
Dergelijke maatregelen worden met name getroffen ter voorkoming van enigerlei niet-geautoriseerde verspreiding of toegang, accidentele of onwettige vernietiging, accidenteel verlies of accidentele wijziging alsmede alle overige onwettige vormen van verwerking.
2. Wanneer persoonsgegevens met geautomatiseerde middelen worden verwerkt, worden met name in verhouding tot de risico's passende maatregelen genomen om:
a) te voorkomen dat onbevoegden toegang krijgen tot persoonsgegevensverwerkende computersystemen;
b) onbevoegde inzage, verveelvoudiging, wijziging of verwijdering van opslagmedia te voorkomen;
c) onbevoegde invoer in het geheugen alsmede onbevoegde verspreiding, wijziging of wissing van opgeslagen persoonsgegevens te voorkomen;
d) te voorkomen dat onbevoegden met behulp van datatransmissieapparatuur de gegevensverwerkingssystemen gebruiken;
e) er zorg voor te dragen dat bevoegde gebruikers van een gegevensverwerkingssysteem geen toegang tot andere persoonsgegevens kunnen krijgen dan die waarvoor hun recht van toegang geldt;
f) te registreren welke persoonsgegevens op welk tijdstip en aan wie zijn meegedeeld;
g) er zorg voor te dragen dat het achteraf mogelijk is na te gaan en te controleren wanneer en door wie bepaalde persoonsgegevens zijn verwerkt;
h) er zorg voor te dragen dat persoonsgegevens die voor rekening van derden worden verwerkt, uitsluitend op de door de opdrachtgevende communautaire instelling of het opdrachtgevende communautaire orgaan voorgeschreven wijze kunnen worden verwerkt;
i) er zorg voor te dragen dat de gegevens tijdens de mededeling van persoonsgegevens en tijdens het transport van opslagmedia niet onrechtmatig kunnen worden ingezien, gekopieerd of gewist;
j) de organisatiestructuur binnen een instelling of orgaan zodanig op te zetten dat deze aan de bijzondere vereisten inzake gegevensbescherming beantwoordt.