Art. 15 Verordening (EG) nr. 45/2001, Afscherming
1. De betrokkene kan van de verantwoordelijke voor de verwerking verlangen dat hij deze gegevens afschermt indien:
a) de nauwkeurigheid ervan door de betrokkene wordt betwist, gedurende een periode die de verantwoordelijke voor de verwerking in staat stelt de nauwkeurigheid, met inbegrip van de volledigheid van de gegevens te verifiëren;
b) de verantwoordelijke voor de verwerking die gegevens niet langer voor de uitoefening van zijn, respectievelijk haar taken, nodig heeft, maar die gegevens nog moeten worden bewaard voor de bewijsvoering; of
c) de verwerking ervan onwettig is en de betrokkene zich tegen het wissen ervan verzet en in de plaats daarvan afscherming ervan verzoekt.
2. In geautomatiseerde gegevensbestanden wordt voor afscherming in beginsel met technische middelen zorg gedragen. Het feit dat de persoonsgegevens worden afgeschermd, wordt in het bestand op zodanige wijze aangegeven dat duidelijk blijkt dat van de persoonsgegevens geen gebruik mag worden gemaakt.
3. Op grond van dit artikel afgeschermde persoonsgegevens worden, afgezien van de opslag ervan, slechts verwerkt ten behoeve van bewijsvoering of met toestemming van de betrokkene, of ter bescherming van rechten van derden.
4. De betrokkene op wiens verzoek deze gegevens worden afgeschermd, wordt door de verantwoordelijke voor de verwerking ingelicht alvorens de afscherming wordt opgeheven.