Art. 19
De werkgever met woonplaats op het grondgebied van een lidstaat kan voor de volgende gerechten worden opgeroepen:
1. voor de gerechten van de lidstaat waar hij woonplaats heeft, of
2. in een andere lidstaat:
a) voor het gerecht van de plaats waar de werknemer gewoonlijk werkt of voor het gerecht van de laatste plaats waar hij gewoonlijk heeft gewerkt, of
b) wanneer de werknemer niet in eenzelfde land gewoonlijk werkt of heeft gewerkt, voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt of bevond die de werknemer in dienst heeft genomen.
Uitspraken die dit artikel aanhalen
- Hof Arnhem-Leeuwarden 28 januari 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:517
- Rb. 's-Gravenhage 6 april 2012, ECLI:NL:RBSGR:2012:BW2227
- Rb. Limburg 29 september 2016, ECLI:NL:RBLIM:2016:8473
- Rb. Haarlem 29 december 2005, ECLI:NL:RBHAA:2005:AU9513
- Hof 's-Hertogenbosch 11 januari 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BP1013
- Hof Arnhem-Leeuwarden 23 juni 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:4552
- Hof Arnhem-Leeuwarden 21 mei 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:CA2662