Art. 5 Verordening (EG) nr. 2037/2000, Beheersing van het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen
Verordening (EG) nr. 2037/2000
1. Het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen is onder de volgende voorwaarden verboden:
a) in aërosolen;
b) als oplosmiddel:
i) in open systemen, zoals open reinigers en open ontwateringssystemen zonder gekoelde zone, in kleefmiddelen en vormsmeermiddelen indien niet in een gesloten systeem gebruikt, voor afvoerreiniging indien de chloorfluorkoolwaterstoffen niet worden teruggewonnen;
ii) met ingang van 1 januari 2002 voor alle toepassingen met uitzondering van precisiereiniging van elektrische en andere componenten in luchtvaart- en ruimtevaarttoepassingen, waarvoor het verbod op 1 januari 2009 in werking treedt;
c) als koelmiddel:
i) in na 31 december 1995 vervaardigde apparatuur voor de volgende toepassingen:
- open systemen met rechtstreekse verdamping;
- huishoudelijke koelkasten en diepvriezers;
- systemen voor klimaatregeling in motorvoertuigen, trekkers, terreinwagens en aanhangwagens, ongeacht de energiebron, behoudens militaire toepassingen, waarvoor het verbod op 1 januari 2009 in werking treedt;
- systemen voor klimaatregeling in het openbaar vervoer over de weg;
ii) in na 31 december 1997 vervaardigde apparatuur voor klimaatregeling in het openbaar vervoer per spoor;
iii) met ingang van 1 januari 2000, in na 31 december 1999 vervaardigde apparatuur voor de volgende toepassingen:
- in openbare of voor de distributie gebruikte koelhuizen en pakhuizen;
- in apparatuur met een asvermogen van 150 kW of meer;
iv) met ingang van 1 januari 2001 in alle andere na 31 december 2000 vervaardigde koel- en klimaatregelingsapparatuur, met uitzondering van vaste klimaatregelingsapparatuur met een koelvermogen van minder dan 100 kW, waarvoor het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen met ingang van 1 juli 2002 verboden is voor na 30 juni 2002 geproduceerde apparatuur, en omkeerbare klimaatregelings-/warmtepompsystemen waarvoor het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen met ingang van 1 januari 2004 is verboden in alle na 31 december 2003 vervaardigde apparatuur;
v) met ingang van 1 januari 2010 is het gebruik van nieuw geproduceerde chloorfluorkoolwaterstoffen voor onderhoud van op die datum bestaande koel- en klimaatregelingsapparatuur verboden; met ingang van 1 januari 2015 zijn alle chloorfluorkoolwaterstoffen verboden;
Vóór 1 januari 2009 onderzoekt de Commissie de technische en economische beschikbaarheid van alternatieven voor gerecycleerde chloorfluorkoolwaterstoffen.
Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de beschikbaarheid van technisch en economisch haalbare alternatieven voor chloorfluorkoolwaterstoffen in bestaande koelapparatuur, teneinde het onrechtmatig dumpen van apparatuur te voorkomen.
In aanmerking komende alternatieven moeten aanzienlijk minder schadelijke gevolgen voor het milieu hebben dan chloorfluorkoolwaterstoffen.
De Commissie dient het resultaat van het onderzoek in bij het Europees Parlement en de Raad. In voorkomend geval besluit zij overeenkomstig de procedure van artikel 18, lid 2, of de datum van 1 januari 2015 moet worden bijgesteld.
d) voor de vervaardiging van schuim:
i) voor de vervaardiging van alle soorten schuim behoudens integraalschuim voor veiligheidstoepassingen en isolerend hardschuim;
ii) met ingang van 1 oktober 2000 voor de vervaardiging van integraalschuim voor veiligheidstoepassingen en polyethyleenhardschuim;
iii) met ingang van 1 januari 2002 voor de vervaardiging van geëxtrudeerd isolerend polystyreenhardschuim, behalve bij gebruik voor geïsoleerd vervoer;
iv) met ingang van 1 januari 2003 voor de vervaardiging van polyurethaanschuim voor apparatuur, polyurethaan-laminaatschuim met een flexibel oppervlak en polyurethaansandwichpanelen, behalve, in de laatste twee gevallen, bij gebruik voor geïsoleerd vervoer;
v) met ingang van 1 januari 2004 voor de vervaardiging van elk schuim, met inbegrip van polyurethaanspuitschuim en polyurethaanschuimisolatieplaten;
e) als draaggas voor sterilisatiemiddelen in gesloten systemen in na 31 december 1997 vervaardigde apparatuur;
f) voor alle overige toepassingen.
2. In afwijking van lid 1 wordt het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen toegestaan:
a) in laboratoria, met inbegrip van werkzaamheden voor onderzoek en ontwikkeling;
b) als grondstof bij de vervaardiging van andere chemische stoffen;
c) als technische hulpstof.
3. In afwijking van lid 1 kan het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen als blusmiddel in bestaande brandbeveiligingsapparatuur onder de volgende voorwaarden ter vervanging van halonen in de in bijlage VII vermelde toepassingen toegelaten worden:
- de in die brandbeveiligingsapparatuur aanwezige halonen worden geheel vervangen;
- de verwijderde halonen worden vernietigd;
- 70 % van de vernietigingskosten wordt gedragen door de leverancier van de chloorfluorkoolwaterstoffen;
- de lidstaten die gebruikmaken van deze bepaling stellen de Commissie ieder jaar op de hoogte van het aantal installaties en de hoeveelheden halonen waar het om gaat.
4. De invoer en het op de markt brengen van chloorfluorkoolwaterstoffen bevattende producten en apparatuur waarvoor krachtens dit artikel een gebruiksbeperking geldt, is verboden met ingang van de datum waarop de gebruiksbeperking van kracht wordt. Dit verbod geldt niet voor producten en apparatuur waarvan kan worden aangetoond dat zij vóór de datum van die gebruiksbeperking zijn vervaardigd.
5. Tot en met 31 december 2009 zijn de gebruiksbeperkingen krachtens dit artikel niet van toepassing op het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen voor de vervaardiging van producten die worden uitgevoerd naar landen waar het gebruik van chloorfluorkoolwaterstoffen in die producten nog is toegestaan.
6. De Commissie kan de in lid 1 vermelde lijst en data volgens de procedure van artikel 18, lid 2, wijzigen, in het licht van de met de uitvoering van deze verordening opgedane ervaring of om rekening te houden met de vooruitgang van de techniek, maar kan de daarin vastgelegde perioden in geen geval overschrijden, onverminderd de afwijkingen waarin in lid 7 is voorzien.
7. De Commissie kan op verzoek van een bevoegde instantie van een lidstaat volgens de procedure van artikel 18, lid 2, een tijdelijke vrijstelling verlenen om het gebruik en het op de markt brengen van chloorfluorkoolwaterstoffen in afwijking van lid 1 en artikel 4, lid 3, toe te staan, wanneer wordt aangetoond dat voor een specifiek gebruik geen stoffen of technologieën als technisch en economisch haalbaar alternatief beschikbaar zijn of kunnen worden gebruikt. De Commissie stelt de lidstaten onverwijld in kennis van alle verleende vrijstellingen.