Art. 3 Verordening (EG) nr. 1347/2000, Ouderlijke verantwoordelijkheid

Verordening (EG) nr. 1347/2000

1. De rechterlijke instanties van een lidstaat zijn, in de uitoefening van hun bevoegdheid overeenkomstig artikel 2 terzake van een verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk, bevoegd terzake van de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een gemeenschappelijk kind van de echtgenoten dat gewoonlijk in die lidstaat verblijft.

2. Indien het kind niet gewoonlijk in de in lid 1 bedoelde lidstaat verblijft, zijn de rechterlijke instanties van die lidstaat bevoegd wat betreft de ouderlijke verantwoordelijkheid, mits het kind gewoonlijk in een van de lidstaten verblijft en:

a) ten minste een van de echtgenoten de ouderlijke verantwoordelijkheid voor het kind draagt, en

b) de bevoegdheid van de rechterlijke instanties door de echtgenoten is aanvaard en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

3. De in de leden 1 en 2 bedoelde instanties zijn bevoegd:

a) totdat de beslissing houdende toewijzing of afwijzing van het verzoek tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk definitief is geworden, of

b) ingeval een procedure over de ouderlijke verantwoordelijkheid aanhangig is op het onder a) bedoelde tijdstip, totdat een beslissing in die procedure definitief is geworden, of

c) totdat de onder a) en b) bedoelde procedures om een andere reden een einde hebben genomen.

Uitspraken die dit artikel aanhalen