Art. 10 Verordening (EG) nr. 1347/2000, Toetsing van de ontvankelijkheid

Verordening (EG) nr. 1347/2000

1. Wanneer een verweerder die zijn gewone verblijfplaats heeft in een andere staat dan de lidstaat waar de zaak is aangebracht, niet verschijnt, is de bevoegde rechterlijke instantie verplicht haar uitspraak aan te houden zolang niet vaststaat dat de verweerder in de gelegenheid is gesteld het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, zo tijdig als met het oog op zijn verdediging nodig was, te ontvangen, of dat daartoe al het nodige is gedaan.

2. Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad van 29 mei 2000 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken(6) wordt toegepast in plaats van het bepaalde in lid 1, indien de toezending van de ene lidstaat naar de andere van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk overeenkomstig het bepaalde in deze verordening moest geschieden.

3. Indien de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1348/2000 van de Raad niet van toepassing is, wordt artikel 15 van het Verdrag van 's-Gravenhage van 15 november 1965 inzake de betekening en de kennisgeving in het buitenland van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en in handelszaken toegepast indien de toezending van het stuk dat het geding inleidt of een gelijkwaardig stuk, overeenkomstig dat verdrag moest geschieden.

Afdeling 3

Aanhangigheid en onderling afhankelijke vorderingen