Art. 4 Verordening (EG) nr. 1227/2000
Verordening (EG) nr. 1227/2000
1. Wanneer een oppervlakte wordt gerooid op grond van artikel 2, lid 7, of artikel 19, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 of op grond van artikel 3, lid 2, derde alinea, onder b), artikel 3, lid 4, derde alinea, onder b), ii), of artikel 3, lid 8, van de onderhavige verordening worden geen herbeplantingsrechten toegekend. Ook worden geen herbeplantingsrechten toegekend bij rooiing van:
a) een met wijnstokken beplante oppervlakte in het kader van een ruilverkaveling of van een onteigening ten algemenen nutte en waarvoor op grond van artikel 3, lid 1, nieuweaanplantrechten zijn toegekend;
b) oppervlakten die voor wijnbouwexperimenten bestemd zijn, zolang het experiment loopt;
c) oppervlakten die voor het kweken van entstokken bestemd zijn gedurende de periode waarin zij voor de productie van entstokken worden gebruikt, of
d) oppervlakten die uitsluitend bestemd zijn voor consumptie door het wijnbouwersgezin.
2. Een lidstaat mag alleen herbeplantingsrechten toekennen aan een producent die de verbintenis aangaat met wijnstokken beplante oppervlakte te rooien vóór het einde van het derde jaar nadat een oppervlakte is beplant, als de producent kan aantonen dat hij geen of niet voldoende aanplantrechten bezit die zouden kunnen worden gebruikt om de hele betrokken oppervlakte met wijnstokken te beplanten. De lidstaat mag de producent niet meer rechten toekennen dan nodig zijn om de gehele betrokken oppervlakte met wijnstokken te beplanten, waarbij rekening gehouden wordt met de rechten die de producent reeds bezit. De producent moet nauwkeurig omschrijven welke oppervlakte hij zal rooien.
3. Wanneer een producent de in lid 2 bedoelde verbintenis aangaat, dient hij een zekerheid te stellen. De verplichting om de betrokken oppervlakte te rooien is een primaire eis in de zin van artikel 20, lid 2, van Verordening (EEG) nr. 2220/85 van de Commissie(15). Het bedrag van de zekerheid wordt door de betrokken lidstaat vastgesteld op basis van objectieve criteria. De vastgestelde zekerheid moet evenredig zijn en worden vastgesteld op een voldoende hoog niveau om de producenten ervan te weerhouden hun verbintenis niet na te komen.
4. Zolang de verbintenis tot rooien niet is nagekomen, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat in een wijnoogstjaar niet tegelijkertijd wijn voor commerciële doeleinden geproduceerd wordt die afkomstig is van de te rooien oppervlakte en van de nieuw beplante oppervlakte, door te bepalen dat:
a) producten die bereid zijn uit druiven die afkomstig zijn van de nieuw beplante oppervlakte uitsluitend in het verkeer mogen worden gebracht om te worden gedistilleerd. Deze producten mogen niet worden gebruikt voor het bereiden van alcohol met een effectief alcoholgehalte van 80 volumepercenten of minder, of
b) producten die bereid zijn uit op de te rooien oppervlakte geteelde druiven, uitsluitend in het verkeer mogen worden gebracht om te worden gedistilleerd. Deze producten mogen niet worden gebruikt voor het bereiden van alcohol met een effectief alcoholgehalte van 80 volumepercenten of minder.
5. Indien de verbintenis tot rooien niet is nagekomen wanneer de desbetreffende termijn afloopt, wordt de oppervlakte die niet is gerooid, geacht te zijn beplant in strijd met het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 bedoelde verbod op aanplant.
6. De lidstaten houden toezicht op de aanplant en het rooien van wijnstokken op de betrokken oppervlakten.
7. De lidstaten registreren alle gevallen waarin het bepaalde in dit artikel toegepast is.
8. De lidstaten registreren alle overdrachten van herbeplantingsrechten tussen bedrijven.
9. Indien een lidstaat voornemens is gebruik te maken van de mogelijkheid om de periode voor het gebruik van herbeplantingsrechten te verlengen van vijf tot acht wijnoogstjaren na het verstrijken van het jaar waarin de rooiing heeft plaatsgevonden, meldt hij dit aan de Commissie.