Art. 3 Verordening (EG) nr. 1227/2000

Verordening (EG) nr. 1227/2000

1. Wanneer de lidstaten nieuweaanplantrechten toekennen voor oppervlakten die voor nieuwe aanplant bestemd zijn in het kader van ruilverkavelingen of onteigeningen ten algemenen nutte waartoe krachtens de nationale wetgeving is besloten, moeten zij zich ervan vergewissen dat deze rechten niet worden toegekend voor een oppervlakte die, uitgedrukt in uitsluitend met wijnstokken beplante cultuurgrond, niet groter is dan 105 % van de met wijnstokken beplante oppervlakte waarop de ruilverkaveling of onteigening ten algemenen nutte betrekking had. De lidstaten registreren elk geval waarin voor dat doel nieuweaanplantrechten worden toegekend.

2. De lidstaten registreren elk geval waarin zij nieuweaanplantrechten toekennen voor oppervlakten die voor wijnbouwexperimenten bestemd zijn. Dergelijke nieuweaanplantrechten gelden alleen voor de periode waarover het experiment loopt.

In die periode mogen producten die zijn bereid uit op deze oppervlakte geteelde druiven, niet in de handel worden gebracht.

Na afloop van deze periode

a) moet de producent nieuweaanplantrechten die zijn toegekend op grond van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1493/1999, herbeplantingsrechten of uit een reserve toegekende aanplantrechten gebruiken om de betrokken oppervlakten te kunnen gebruiken voor de productie van wijn die bestemd is om in de handel te worden gebracht, of

b) moeten de op deze oppervlakten aangeplante wijnstokken worden gerooid. De uitgaven voor het rooien worden gedragen door de betrokken producent. Totdat de betrokken oppervlakte is gerooid, mogen producten die zijn bereid uit op deze oppervlakten geteelde druiven, uitsluitend voor distillatie in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholgehalte van 80 volumepercenten of minder.

3. Vóór 1 augustus 2000 toegekende nieuweaanplantrechten voor wijnbouwexperimenten en alle voorschriften voor het gebruik van die rechten of van de betrokken oppervlakten blijven geldig zolang het experiment loopt. Na afloop daarvan geldt voor deze oppervlakten het bepaalde in lid 2, derde alinea, onder b).

4. De lidstaten registreren elk geval waarin zij nieuweaanplantrechten toekennen voor oppervlakten die bestemd zijn voor het kweken van entstokken. De nieuwepaanplantrechten gelden alleen voor de periode waarin de oppervlakten worden gebruikt voor de productie van entstokken.

In die periode mogen druiven van deze wijnstokken niet worden geoogst of moet, indien ze worden geoogst, de oogst worden vernietigd.

Na afloop van deze periode

a) moet de producent nieuweaanplantrechten die zijn toegekend op grond van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1493/1999, herbeplantingsrechten of uit een reserve toegekende aanplantrechten gebruiken om de betrokken oppervlakten te kunnen gebruiken voor de productie van wijn die bestemd is om in de handel te worden gebracht, of

b) moeten de op deze oppervlakten aangeplante wijnstokken worden gerooid. De uitgaven voor het rooien worden gedragen door de betrokken producent. Totdat de betrokken oppervlakte is gerooid, mogen producten die zijn bereid uit op deze oppervlakten geteelde druiven, uitsluitend voor distillatie in het verkeer worden gebracht. Deze producten mogen niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholgehalte van 80 volumeprocenten of minder.

5. Vóór 1 augustus 2000 toegekende nieuweaanplantrechten voor oppervlakten die voor het kweken van entstokken zijn bestemd en alle voorschriften voor het gebruik van die rechten of van de betrokken oppervlakten blijven geldig gedurende de periode waarin de productie van de entstokken plaatsvindt. Na afloop van die periode geldt voor deze oppervlakten het bepaalde in lid 4, derde alinea, onder b).

6. De lidstaten registreren elk geval waarin zij nieuweaanplantrechten toekennen voor oppervlakten waarvan de wijn of de wijnbouwproducten uitsluitend bestemd zijn voor consumptie door het wijnbouwersgezin.

7. In afwijking van het bepaalde in lid 6 mag een lidstaat, om te voorkomen dat buitensporige administratieve verplichtingen worden opgelegd, bepalen dat voor oppervlakten waarvan de wijn of de wijnbouwproducten uitsluitend bestemd zijn voor consumptie door het wijnbouwersgezin, de in artikel 2, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 voorgeschreven rooiing niet geldt. De lidstaten mogen deze afwijking slechts toestaan voorzover:

a) de oppervlakte per wijnbouwer niet groter is dan een maximum dat door de lidstaat moet worden vastgesteld, en

b) de betrokken wijnbouwer geen wijn voor commerciële doeleinden produceert.

8. Wijn of wijnbouwproducten afkomstig van de in de leden 6 en 7 bedoelde oppervlakten mag of mogen niet in de handel worden gebracht. De lidstaten moeten voorzien in een geëigende regeling om op dit verbod toe te zien. Indien een overtreding van dit verbod wordt ontdekt, moet, afgezien van door de lidstaat opgelegde boetes, de betrokken oppervlakte worden gerooid voor rekening van de betrokken wijnbouwer. Zolang de betrokken wijngaardoppervlakte niet is gerooid, mogen producten die zijn bereid uit op deze oppervlakten geteelde druiven, uitsluitend in het verkeer worden gebracht om te worden gedistilleerd. Deze producten mogen niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholgehalte van 80 volumepercenten of minder. De lidstaten registreren alle gevallen waarin het bepaalde in dit lid is toegepast.

9. De lidstaten mogen slechts nieuweaanplantrechten toekennen voor oppervlakten die bestemd zijn voor de productie van v.q.p.r.d. of met een geografische aanduiding omschreven tafelwijn als zij op grond van een evaluatie hebben uitgemaakt dat de productie van de betrokken wijn ver bij de vraag achterblijft. De lidstaten baseren hun evaluatie op objectieve criteria en gegevens. Deze objectieve gegevens omvatten een inventaris van het productiepotentieel of gelijkwaardige informatie. De lidstaten registreren al deze evaluaties met inbegrip van de objectieve criteria en gegevens. Wanneer een lidstaat heeft erkend dat de productie van een dergelijke wijn ver bij de vraag achterblijft, registreert hij elk geval waarin voor dergelijke wijn nieuweaanplantrechten zijn toegekend.

10. De lidstaten delen de Commissie voor elk wijnoogstjaar mee:

a) de totale oppervlakten waarvoor nieuweaanplantrechten zijn toegekend op grond van het bepaalde in de leden 1, 2 en 4;

b) de totale oppervlakte waarvoor nieuweaanplantrechten zijn toegekend op grond van het bepaalde in lid 6. Wanneer een lidstaat echter gebruikmaakt van de in lid 7 bedoelde afwijking, deelt hij in plaats van dit gegeven een raming van de totale betrokken oppervlakte mee, gebaseerd op de resultaten van het toezicht dat is uitgevoerd;

c) de totale oppervlakte waarvoor op grond van artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 nieuweaanplantrechten zijn toegekend voor elke betrokken wijn, en de bijzonderheden over de uitgevoerde evaluatie met inbegrip van de objectieve criteria en gegevens, en

d) of producenten hebben betaald voor de toekenning van nieuweaanplantrechten.

Deze gegevens moeten binnen vier maanden na afloop van het wijnoogstjaar worden meegedeeld.

Vorige artikelen

Volgende artikelen