Art. 2 Verordening (EG) nr. 1227/2000
Verordening (EG) nr. 1227/2000
1. De lidstaten kunnen een uiterste datum vaststellen voor de indiening van aanvragen voor een afwijking op grond van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 door de producenten.
2. Wanneer een producent een aanvraag voor een afwijking heeft ingediend, kan de betrokken lidstaat toestaan dat, terwijl de aanvraag wordt onderzocht, op de betrokken oppervlakten geteelde druiven vanaf de datum van indiening van de aanvraag worden gebruikt voor de productie van wijn die bestemd is om in de handel te worden gebracht.
3. Indien de afwijking vervolgens wordt toegestaan, geldt ze vanaf de datum waarop de aanvraag is ingediend.
4. Indien de afwijking wordt geweigerd, moet de lidstaat
a) ofwel een boete toepassen die gelijk is aan 30 % van de marktwaarde van de wijn die vanaf de datum waarop de aanvraag is ingediend tot de datum waarop ze is geweigerd, is bereid uit op de betrokken oppervlakten geteelde druiven;
b) ofwel eisen dat de producent een hoeveelheid wijn distilleert die gelijk is aan de hoeveelheid wijn die vanaf de datum van indiening van de aanvraag is bereid uit op de betrokken oppervlakten geteelde druiven en in de handel is gebracht vanaf die datum tot de datum waarop ze is geweigerd. Deze distillatieproducten moeten niet worden gebruikt voor de bereiding van producten met een effectief alcoholgehalte van 80 volumepercenten of minder.
5. De lidstaten bepalen de in artikel 2, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 1493/1999 bedoelde periode waarbinnen producenten na de beplanting van de betrokken oppervlakte hiervoor herbeplantingsrechten moeten verkrijgen. Deze periode loopt in ieder geval uiterlijk op 31 maart 2002 af. Een lidstaat mag slechts een afwijking overeenkomstig deze bepaling toestaan wanneer de betrokken herbeplantingsrechten geldig zijn op de datum waarop de afwijking wordt aangevraagd.
6. De lidstaten registreren elke aanvraag voor een afwijking, alsmede het gevolg dat aan de aanvraag is gegeven en elke maatregel die is genomen op grond van het bepaalde in lid 4.
7. De lidstaten delen de Commissie voor elk wijnoogstjaar de totale oppervlakte mee waarvoor een afwijking is aangevraagd, de totale oppervlakte waarvoor een afwijking is toegestaan en de totale oppervlakte waarvoor een afwijking is geweigerd. Deze gegevens moeten binnen vier maanden na afloop van het betrokken wijnoogstjaar worden meegedeeld.
8. Wanneer een oppervlakte moet worden gerooid op grond van artikel 2, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1493/1999, mogen producten die zijn bereid uit op deze oppervlakten geteelde druiven uitsluitend voor distillatie in het verkeer worden gebracht. Bij wijze van uitzondering mogen de lidstaten echter de distillatie van een gelijkwaardige hoeveelheid wijn voorschrijven. Bovendien kan de lidstaat in dit geval ook een geëigende administratieve sanctie toepassen. In beide gevallen mogen deze producten niet worden gebruikt voor de bereiding van alcohol met een effectief alcoholgehalte van 80 volumepercenten of minder.
9. De lidstaten registreren elk geval waarin artikel 2, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1493/1999 is toegepast.