Art. 5 Verordening (EG) nr. 104/2000
1. Onder "producentenorganisaties" worden in deze verordening verstaan, rechtspersonen:
a) die zijn opgericht op initiatief van een groep producenten van één of meer van de in artikel 1, onder a), b) en c), bedoelde producten, met dien verstande dat producten die zijn ingevroren, bewerkt of verwerkt, de betrokken handelingen aan boord van vissersvaartuigen moeten hebben ondergaan;
b) die in het bijzonder tot doel hebben de rationale beoefening van de visserij en betere afzetvoorwaarden voor de productie van hun leden tot stand te brengen, door middel van maatregelen die:
1. bijdragen tot de programmering van de productie en de kwantitatieve en kwalitatieve aanpassing ervan aan de vraag, met name door het uitvoeren van visplannen;
2. de concentratie van het aanbod bevorderen;
3. een stabiliserend effect op de prijzen hebben;
4. de toepassing van exploitatiemethoden die een duurzame visserij ondersteunen, aanmoedigen;
c) waarvan de statuten de aangesloten producenten in het bijzonder ertoe verplichten:
1. de door de organisatie op het gebied van exploitatie, productie en afzet vastgestelde regels toe te passen;
2. wanneer het beheer van sommige of alle vangstquota door de lidstaat aan producentenorganisaties is toevertrouwd, de daartoe door de organisatie vastgestelde maatregelen toe te passen;
3. ervoor te zorgen dat een vaartuig voor een product of een groep van producten bij slechts één producentenorganisaties aangesloten is;
4. de gehele productie van het product of de producten waarvoor zij zich hebben aangesloten, door bemiddeling van de organisatie af te zetten. De organisatie kan evenwel besluiten dat bovengenoemde verplichting niet geldt als de afzet volgens van tevoren door haar vastgestelde gemeenschappelijke regels geschiedt;
5. de inlichtingen te verstrekken waarom door de producentenorganisaties wordt verzocht voor de vaststelling van de onder b) bedoelde maatregelen, voor de nakoming van wettelijke verplichtingen of voor statistische doeleinden;
6. in de statuten vastgestelde financiële bijdragen voor de oprichting en de financiering van het in artikel 17, lid 3, bedoelde interventiefonds te betalen;
7. gedurende ten minste drie jaar na de erkenning van de organisatie lid te blijven en de organisatie ten minste één jaar van tevoren kennis te geven van de opzegging van het lidmaatschap;
d) waarvan de statuten bepalingen omvatten betreffende:
1. de wijze van vaststelling, goedkeuring en wijziging van de onder c), punt 1, bedoelde regels;
2. de uitsluiting van elke vorm van discriminatie tussen de leden op grond van nationaliteit of plaats van vestiging;
3. het aan de leden opleggen van financiële bijdragen voor de financiering van de producentenorganisaties;
4. de regels op grond waarvan de uiteindelijke zeggenschap bij beslissingen en de controle op de producentenorganisatie op democratische wijze bij de aangesloten producenten berust;
5. de sancties bij overtreding van de statutaire verplichtingen, met name bij niet-betaling van de financiële bijdragen, en van de door de producentenorganisatie vastgestelde regels;
6. de regels inzake de toelating van nieuwe leden;
7. de nodige boekhoud- en begrotingsregels voor de werking van de organisatie, met name de verplichting om een afzonderlijke boekhouding te voeren voor de activiteiten waarop de erkenning betrekking heeft;
e) die door de betrokken lidstaat overeenkomstig lid 2 zijn erkend.
2. De lidstaten erkennen groeperingen van producenten met statutaire zetel op hun grondgebied die op hun grondgebied in voldoende mate economisch actief zijn en een verzoek om erkenning als producentenorganisatie in de zin van deze verordening indienen, op voorwaarde dat deze groeperingen:
a) aan de in lid 1 gestelde eisen voldoen en daartoe onder meer het bewijs leveren dat zij een minimumaantal producenten of een minimum aan verhandelbaar productievolume vertegenwoordigen;
b) voldoende garanties bieden ten aanzien van de uitvoering, de duur en de doelmatigheid van hun optreden;
c) de juridische bekwaamheid bezitten welke volgens de in de nationale wetgeving gestelde voorwaarden benodigd is.
3. De producentenorganisaties mogen op een bepaalde markt geen machtspositie innemen, tenzij dit nodig is voor het bereiken van de doelstellingen van artikel 33 van het Verdrag.
4. De bepalingen ter uitvoering van dit artikel worden vastgesteld volgens de procedure van artikel 38, lid 2.